Veel mensen geloven het niet, maar ik ben een laatbloeier in de liefde. Twintig was ik, en als leerling-journalist werkzaam bij AVRO’s radiojournaal. Ik weet het nog goed.
Na een lange dag van verslaggeving in Rotterdam was ik aanbeland in een café waar je normaliter niet zomaar binnenstapt. Een drinklokaal aan de rand van de stad. Boven de bar, naast een fles Bols, stond een enkele beker. Iets met duiven. Uit de boxen druppelde Willy Alberti.
Aan de toog hing een man wat vadsig op een kruk, de ogen bloeddoorlopen. Hij was groot van stuk en nagenoeg kaal, en zoog uit alle macht aan een sigaret.
Links van hem zit ik, goed gekleed met een net colbert aan. Ik was toen al lang en dun, en zat er roerloos bij achter mijn cappuccino. Rechts van de vadsige man zat een dikke dame met een shagje in haar mond. Ze droeg veel make-up, een minirok en pumps. Ze loenste, waardoor het niet helemaal duidelijk waarnaar zij keek. Wellicht naar de barman, maar ook de fles Bols boven de bar kwam in aanmerking.
De dikke man had net zijn zoveelste biertje besteld. Zijn harige armen steunden op de bar. Aan zijn rechterhand prijkte een goudkleurige zegelring.
Toen stopte de muziek plots. Er viel een stilte in het café. Ik keek net naar buiten. Het regende een beetje. In de verte zag hij de lichten van de snelweg.
Naast me maakte de vadsige man zich moeizaam van zijn barkruk los. Hij tikte me op de schouder en wees naar de dikke dame. “Hé vriend, mooie vrouw hé?”
Ik keek op, schrok en dook wat dieper in mijn koffie. De barkeeper wendde de blik af. Buiten huilde de wind.
De man waggelde naar de dikke dame. Hij legde zijn rechterhand op de homp vrouwenbil die over de rand van de barkruk heen golfde.
“Hé, jij daar!” Hij wenkte mij opnieuw. “Lekker wijf hé? Of niet soms? Ja, hallo, zeg eens wat!” Hij spuugde zijn woorden bijna uit.
Mijn ogen schoten als stekelbaarsjes heen en weer. De dikke dame geeuwde. De peuk viel uit haar mond. Ze leek het nauwelijks te merken.
“Lekker wijffie. Nou? Nou?”
Ik begon als een bezetene in mijn cappuccino te roeren.
“Wat is er verdikkeme mis met deze dame?” De man was weer op zijn kruk geklauterd, tussen mij en de dikke dame in. Hij hapte nijdig in de schuimkraag van zijn pilsje. “Er is helemaal niks mis met deze dame!”
Toen draaide hij zijn bovenlichaam richting mij en tikte me op de schouder. “Er is godverklere-nog-an-toe helemáál niks mis met deze dame!” Om de mond van de dikke man hing een verbeten trek.
Ik begon te stotteren. Ik zocht oogcontact met de barman, maar die was verdwenen. Toen koos ik eieren voor mijn geld. Net zoals riet meebuigen met de wind, dat was het devies. “Het is inderdaad een aantrekkelijke mevrouw.”
“Gewoon dat je zegt: lekker wijf,” gromde de vadsige man.
“Zoiets.”
“Lekker wijf!” riep de man. Hij sloeg met een vuist op de toog.
“Lekker wijf,” antwoordde ik.
“Godverdomme, een heel lekker wijf!”
“Jaja, een heel lekker wijf.”
“Geil! Of niet soms? Geil!”
Ik knikte.
“Geil wijf!” brulde de man.
“Ja, geil. Geil ja.” Ik knikte heftig van ja en sloeg mijn cappuccino in één teug achterover. Ik wilde opstaan. Weg hier.
De vadsige man greep me bij de pols. “Ik herken de liefhebber in meneer. Vijfentwintig gulden.” Hij keek me indringend aan. “Da’s geen geld voor een lekker geil wijf. Hier boven, in een gezellig kamertje.”
Ik trok lijkbleek weg. Ik wilde iets roepen, maar wist niet wat. Ik had het nog nooit gedaan.
Daar werd ik al van mijn kruk getrokken en met vaste hand richting trap gedirigeerd.
De dikke dame stond op en schikte haar immense lichaam.
Er was werk aan de winkel.





Slik! #prachtig
en? heb je die vijfentwintig gulden achteraf nog gekregen?