Er valt een nieuw blaadje op de mat: Koe. Vanaf de cover staart een gelijknamig graasdier met suffe blik mijn kant op. ‘Oer-Hollandse lenteglossy’ valt er onder de titel te lezen. Mijn nieuwsgierigheid stijgt tot maatje Roel van Velzen.
De voorkant van Koe belooft iets over moestuinen, een kijkje op de boerderij en – oh, joy! – zes lenterecepten. Kijk, dan maakt Roeltje direct plaats voor een maatje Jaws, het grijpgrage gebit uit de James Bond films die niet bij je aanbelt, maar meteen je voordeur doormidden bijt. Mijn tanden wil ik best wel in een malse, sappige biefstuk zetten. Hoewel de Hollandse koe zich qua smaak en structuur niet kan meten met een nichtje van sappige Ierse weides, een verwant uit Limousin of allerliefst een dikke lap Wagyu is mijn interesse gewekt.
Gretig begin ik te bladeren. Ik snel voorbij de pannenkoektorentjes met fruit en negeer accuut de lentesalade met asperges en ei. Een gerecht dat klinkt als een vinexbewoonster met witte driekwartlegging en een sjaaltje moet je niet willen. Om over de quiche met erwtjes en ham nog maar te zwijgen want erwtjes eet je niet meer sinds je ‘Nee mama, vies!’ kunt zeggen.
Maar hoe ik ook blader en kijk: de koe hoe ik ‘m graag zie, kom ik niet tegen. Ik vind geen enkel recept over kruidige marinades. Niks over een stoofschotel met doorgegaarde runderlapjes en lenteuitjes, over kruidige Catalaanse gehaktballetjes of vunzige aanzet tot een overtreffende Argentijnse barbecue. De orgie van vleesch die de man in mij graag ziet, blijft uit. Waar is dat beloofde Oer-Hollandse gedoe gebleven?
Er is in het hele blad Koe geen een manier te vinden hoe je het gelijknamige dier moet bereiden. Dat is niet alleen jammer, dat is vooral raar. Het is als een Playboy zonder tieten. Ik ga mijn verdriet verdrijven met een setje sappige hamburgers.






