Mensen zijn typisch; stereotypisch welteverstaan. Iedereen wil uniek zijn en daarom lijken we zo op elkaar. Tot deze conclusie kom ik dagelijks wanneer ik voor mijn werk bij mensen over de vloer kom. Als een Oost-Duitse waffenofficier duw ik bij binnenkomst mensen zonder genade hardhandig in een hokje. De pluriformiteit van de mens weerspiegelt zich in het karaktervol inrichten van de leefomgeving – of beter gezegd: het gebrek daaraan. De Xenos dankt zijn bestaan aan het type mens dat zonder gêne borden met braakteksten als ‘Live, laugh, love’ naar huis sleept.
Dat een vrouw deze meuk leuk vindt, is prima (ik zou het verder stil houden, maar toch). Erger is de man die zich laat lenen tot het halen van de hamer en het slaan van de spijker, om deze rotzooi op te hangen en mijn netvlies te besmetten. Zodra ik het pad naar de voordeur oploop, weet ik al direct waar ik aan toe ben. Dit is het slag volk dat naast de deur alleen de voornamen van de bewoners posteert. Dit is het huis van Patrick, Ria, Steven & Storm staat er in Comic Sans. Het gebrek aan een achternaam is waarschijnlijk op familieverzoek omdat ooms en tantes niets meer met deze mensen te maken willen hebben.
Aan de deur hangt een wit geverfd rieten hart. Massaproductie in zijn puurste vorm. Kijk, iedereen moet lekker kopen wat hij zelf wil; vrijheid blijheid. Het zegt alleen veel over je relatie wanneer het enige teken van liefde buiten aan een koord bungelt.
Ik bel aan. Een man doet open en je ziet aan hem dat hij de dagelijkse kantoortijger is. Murw gebeukt door cijfers en angstvallig vasthoudend aan regels. Hij zou elke dag met de handen in het haar zitten, had hij het niet prematuur afgeschoren. Alles om de heersende kaalheid te verbloemen, zo verraden de stoppels op zijn slapen en de opgepoetste egaalheid daartussenin. Dit is het soort protocol-prutser dat lacht om Guido Weijers en forenst op een fiets met snelbinders waar zijn broodbakje onder is geklemd. De enige keer dat hij op zijn strepen staat is wanneer hij per ongeluk op zijn Marco Polo-shirt stapt.
‘Dag (ik gok) Patrick; een pakketje voor u.’
‘Een pakketje? Even kijken of mijn vrouw er iets van af weet. Moment.’
Zonder wat te zeggen draait de man zich om en beent weg. Nieuwsgierig tuur ik de smalle gang in. Ja hoor, nog een bordje. Deze keer met huisregels waardoor zelfs mijn ontbijt een poging doet in de hortensia te springen.
‘In dit huis hebben we plezier. Maken we fouten. Worden we boos. Vergeven we. Zeggen we sorry. Beginnen we opnieuw. Geven we knuffels. Horen we bij elkaar. Hebben we lief.’
Ik hoop dat de moeder van de geestelijk vader van deze tekst, op haar zestigste alsnog besluit abortus te plegen.
Vanuit de woonkamer hoor ik een vrouw zeggen: ‘laat je die jongen nou buiten staan?’ En zonder overleg schreeuwt ze op viswijf-volume: ‘KOM MAAR BINNEN HOOR!’
Op het moment dat ik de woonkamerdeur verder open duw, sta ik ademloos oog in oog met een ademende rollade die zich vacuüm heeft gerold in cellofaan. Het is dat, of dit moet Patrick’s vrouw Ria zijn. Zo te zien heeft zij de zwangerschapkilo’s nog niet van zich af weten te schudden. Dat kan – alleen het besluit om je dan te hijsen in een spandexbroek is ‘ongelukkig’ te noemen. De buik van de dame geeft het woord rolmodel een andere betekenis en daar wil ik het verder bij laten.
Waar is het voor?’ ademt zij woorden in mijn richting.
‘Uw KPN-modem mevrouw. Ik moet het oude apparaat mee terug nemen.’
Zonder u te vermoeien met de daaropvolgende monoloog over de KPN, bellen met de klantenservice en dagen zonder televisie zitten, vind ik ironie in het bordje dat boven de bank hangt: ‘Pluk de dag. Geniet van ’t leven. Be happie en verrie gezellie.’
Patrick probeert af en toe wat te zeggen maar Ria Rollade dendert er als een goederentrein overheen. Ik kijk met medelijden naar Patrick. Hij is geen partij voor het geweld van zijn vrouw. Op het werk heeft hij wellicht praatjes maar bij binnenkomst van dit huis dient hij zijn ruggengraat en ballen aan de kapstok te hangen.
Op het moment dat Patrick het modem ontkoppelt, stormen Storm en Steven van de trap af. Ik kijk naar vier donkerbruine ogen en twee donkerbruine kapsels die in lange pijpenkrullen sluik langs de gezichtjes hangen. Twee aangezichten die menig vrouwenhart sneller doen kloppen.
‘Paaahaaap we hebben geen internet meer!’
‘Heel even wachten jongens, deze meneer komt ons nieuw internet brengen.’ De kinderen zijn moorddadig in al hun onschuld. Ik verbaas me over het vermogen van Patrick en Ria om die twee meesterwerkjes af te leveren.
‘Maar wij willen joeeehtjoeeebe kijken!’
Patrick trekt de jongens naar zich toe, aait ze over de bol en drukt daarna de laatste stekkers in het nieuwe modem.
‘Zo, nu hebben jullie binnen vijf minuten weer rete-snel internet.’ De jongens kijken met volle trots naar hun superheld die het internet heeft gefixt en pappa reageert met een vette knipoog. De tv springt aan en Patrick gaat naast zijn vrouw zitten die alweer venijnig aan het zappen is.
Mijn oogkleppen zijn af. Ook al is het huis behangen met clichés, er heerst een synergie in dit gezin die zijn weerga niet kent. Op mijn weg naar buiten zie ik een bord dat mij nog niet was opgevallen. Hoe uitgekauwd het ook moge zijn, dekt het de lading van deze ontmoeting:
‘Wie de regenboog wil zien moet de regen trotseren.’






‘In dit huis hebben we plezier. Maken we fouten. Worden we boos. Vergeven we. Zeggen we sorry. Beginnen we opnieuw. Geven we knuffels. Horen we bij elkaar. Hebben we lief.’
Bij de vierde stelling gaat het al mis. Vrouwen vergeven nooit en vergeten zit er al helemaal niet in. Verder is dit gewoon een herkenbare habitat van de gemiddelde Nederlandse man, helaas. Inclusief de onderdrukking door de vrouw wat ze ineens powervrouw maakt, waar het een man een klootzak maakt.
Niet zo’n heel blije reaguurder, geloof ik.
De realiteit heeft mij achterhaald, Maurits.
Prachtig stukkie. En het ergste van alles, geen woord aan gelogen!