Van nature ben ik een knoeipurk. Zo noemden we dat bij ons thuis. Letterlijke betekenis: iemand die knoeit. Er gaan weinig momenten in mijn leven voorbij zonder dat ik lekker aan het knoeien en smeren ben.
Zo moest ik gister naar de tandarts. Misschien ouderwets, maar ik vind het fijn om van tevoren even mijn tanden te poetsen. Ik poetste en vond ‘s avonds overal tandpasta terug. In mijn jas, in mijn broek, zelfs in mijn boxershort. Liep ik de hele dag voor lul? Misschien een beetje.
Het gekke is dat ik helemaal niet hoef te knoeien. Ik heb veel in de horeca gewerkt, waardoor ik met een vol dienblad kan lopen zonder een druppel te morsen. Ik kan met twintig hete borden tegelijk lopen, zonder dat de ossenhaasjes in rode wijnsaus ook maar een millimeter verschuiven.
Toch knoei ik en vaak als ik bij vrouwen in de buurt ben die willen dat alles smetteloos blijft, knoei ik nog harder.
Ergens diep van binnen wil ik dingen vies maken. Toen ik nog een klein voetballertje was, deed ik dolgraag buikschuivertjes in de blubber met mijn teamgenootjes na afloop van de training. Ik weet niet of ik me ooit mannelijker heb gevoeld. Ik voelde zo’n oerkracht dat mijn borsthaartjes spontaan begonnen te groeien.
Oh, wat genoot ik van dat beteuterde gezicht van mijn moeder als ik thuis kwam. En hoe heerlijk was het als de trainer een week later zei dat het niet weer mocht, omdat er moeders geklaagd hadden, maar dat we het dan toch weer deden.
Ik denk dat mijn geknoei een manier is om weer kind te zijn. Even terug naar die tijd dat ik nog vrij was en de hele dag mocht spelen. En als er weer een vrouw me een geërgerde blik toewerpt, voel ik me één met mijn inwendige glimlach.





