Mijn telefoon trilt. Whatsapp. “Ga je mee een biertje doen?” Prima denk ik. Dat app ik ook. Mijn avond is gevuld. Mooi is dat. Waar we een biertje gaan doen? Maakt het eigenlijk nog uit? We vallen nergens op. Twee mannen op een vrijdagavond. Bier en nootjes.
Ik kom aan. De terrassen druk en vol. Een oud café waar ik ooit nog eens gewerkt heb, heeft een plekje. Bekende kastelein, goede service. Het gesprek keuvelt voort. Ik merk dat je wat dwars zit. Ik ken je al een jaar of tien en een gemakkelijke prater ben je misschien niet. Maar de avond is nog jong. Ik ga je niet dwingen erover te praten, het komt er vanzelf wel uit.
Er is dertig bier voor nodig en twee rondjes shotjes van een damesdispuut voordat de tranen komen, pas bij de na-borrel met de kastelein. Eindelijk. Ik ben blij dat de kraan open staat. Dit is wat men noemt een ugly cry: onbeheersbaar snikken. Voor de eerste traan de bar raakt, wordt duidelijk wat er dwars zit. Het zit hoog. Twintig snikken later komt de rest. Het duurt een moment (negentig seconden), dan heb je ineens in de gaten dat je in de kroeg zit. Aan de na-borrel. De volgende ochtend meldt zich alvast aan het raam.
Je schrikt. Haalt je mouw door je gezicht. Maakt niet uit, gast. Iedereen is dronken. Ik klop je op de schouder. Een blik wordt uitgewisseld. Meer bier. Meer bier en een doekje. Want het snot loopt langs je kin.
Het is onvermijdelijk: wanneer je alles opkropt moet het er een keer uit. Mannentranen vloeien het beste met veel bier. Iedereen heeft zijn breekpunt en je hebt het lang volgehouden, makker. Het probleem is er nog maar de emotie is eruit gezopen.
De dag erop kan ik helemaal niks. Ik heb geen kater maar een periode van algehele lamlendigheid. De appjes in mijn beeldscherm vertellen me dat je hetzelfde hebt.
“Superbrak. Was mooi man, gister, had ik even nodig.”
Natuurlijk. Biertje kan altijd.





