Ze hebben eigenlijk veel gemeen met soldaten. Ze boezemen ontzag in, ze dragen uniformen, ze zoeken het gevaar op, ze treden op als collectief met een ijzeren discipline, elk lid heeft een vaste plek in de hiërarchie. Het zijn leden van een motorbende.
Satudarah One blood. Alweer zo’n mooie documentaire over een mannenwereldje. Afgelopen maandag op tv. Alles wat je al dacht bleek te kloppen. Onverzettelijke kerels, tatoeages, imposante lijven met losse handjes eraan en kleine hartjes, goed opgeborgen in brede borstkassen. Criminele activiteiten, topless meisjes achter de bar van het clubhuis. Die overigens bloedmooi waren, wat misschien nog het minst voor de hand lag. Ze zullen wel ingehuurd zijn.
En verder motoren met moeilijke sturen en veel lawaai, en allemaal hetzelfde jack met dezelfde opdruk. Dat niemand zich in zijn hoofd kan halen dat ze van een andere club zijn. Wat zomaar had gekund.
Solidariteit, saamhorigheid, loyaliteit, pikorde, één voor allen, allen voor één, een gemeenschappelijk doel, kameraadschap, samen sterk, rituelen, een dunne lijn tussen assertiviteit en agressie. De overeenkomst met allerlei andere mannenwereldjes is moeilijk over het hoofd te zien. Militairen, politiemensen, maffiosi, padvinders, voetbalhooligans, corpsballen, kindsoldaten, vriendengroepen, leden van raden van bestuur, jihadstrijders, wielerpelotons. En, hors concours, apen.
Een Satudarah-lid zou kansrijk moeten zijn bij vacatures waarin om teamplayers wordt gevraagd. Tegenwoordig bij alle vacatures dus. Qua representativiteit liggen de kansen al minder gunstig, ze representeren alleen de club. Ze zijn die club, ze zijn erin opgegaan. Opgenomen door een groter geheel. Dat klinkt spiritueel. Alsof ze onbewust hun chakra’s op elkaar hebben afgestemd. Hun ego’s hebben overwonnen.
Collectief optreden heeft voordelen. Met zijn allen kan je een grotere plas doen tegen het wiel van de auto van je buurman dan alleen. Met zijn allen bereik je wat voor de meesten in hun eentje niet haalbaar is: zichtbaar zijn. Ertoe doen. Meetellen. Deel hebben aan een collectieve identiteit die het gemis van een individuele opvangt.
Oorlogen worden gevoerd door legers mannen die per leger hetzelfde doel voor ogen hebben. Elk doel voldoet, als er maar een doel is. Het gaat erom dat alle neuzen dezelfde kant op staan. Het middel is eigenlijk het doel. Bij kunst, cultuur en wetenschap is dat anders. Neuzen die alle kanten op mogen staan. Hoe meer kanten, hoe meer vrijheid, hoe meer verscheidenheid, hoe meer er tot stand wordt gebracht. Dat is het idee achter de westerse cultuur. Maar de nostalgie naar wat eraan voorafging is onuitroeibaar.


