Lou heette hij en woonde boven de slagerij van mijn vader, in de Amsterdamse Jordaan. Ik was in die tijd een jaar of vijftien en vond ome Lou wel sympathiek. Zoals ik alle vreemde en rare mensen sympathiek vind, nu en toen ook al.
Lou was graatmager en droeg altijd een grijs kostuum. Lou reed taxi wanneer hij nuchter was. Hij zag grijs van het slechte eten en een teveel aan zich tegoed doen aan alcoholische dranken. De laatste haren lagen zorgvuldig over zijn kale schedel gedrapeerd.
Lou had één regel in z’n leven: met drank op géén taxi besturen. Dus Lou werkte weinig. Hij was altijd, zoals we zeiden, lazarus. De kastelein van café De Zon had zelfs een machtiging van de toenmalige gemeentelijke giro om zijn loon te innen.
Maar Lou dronk zoveel dat zijn loon onvoldoende was. De kastelein kwam dus regelmatig vragen of ome Lou thuis was, want hij wilde geld zien. Maar Lou was niet thuis of wilde niet open doen. Wij wisten dat Lou thuis was, want de pandjes in de Jordaan zijn enorm gehorig en we hoorden Lou boven lopen.
De kastelein kwam elke dag vragen of Lou al thuis was. Dit ging een week zo door. Toen werd de kastelein toch bezorgd – niet om Lou, maar om z’n geld.
De hele Goudsbloemdwarsstraat wist dat Lou thuis was, maar vertelde dit niet aan de kastelein. Hij was immers een rijke kroegbaas, en nog van Joodse afkomst ook.
Ten einde raad belde de kroegbaas toch maar de politie. Hij had zijn hand al verwond met het bonzen op de deur, een week lang. Hij zag zijn geld al verdampen. De politie kwam, maar Lou deed niet open. Hij had geen geld en wij gniffelden bij zoveel commotie in de straat. Heerlijk!
De politie liet een hoogwerker van de brandweer komen. Ze dachten een lijk te moeten weghalen en dat kon niet via de trap. Want voor die trap moest je trapezewerker zijn. Ik kan het weten, ik heb er vijf jaar gewoond.
De brandweer sloeg een ruit in en plots verscheen Lou voor het raam. Hij vroeg heel onnozel: “wat is er? Ik lag net te slapen.” We hebben ons een breuk gelachen. Je begrijpt niet waar zo snel zoveel mensen vandaan komen. Het zag zwart van de mensen.
Lou zei de volgende dag dat hij niet begreep dat hij niets gehoord had. Ik vond ome Lou altijd erg sympathiek. Hij stond vaak in een hoekje in de slagerij en was, wanneer hij nuchter was, heel intelligent.
Dit is één van de vele verhalen uit de Jordaan, die ik in mijn jeugd meegemaakt heb. Het huis bestaat nog steeds. De schrijver Israël Querido heeft er gewoond, getuige de gedenkplaat in de gevel.





“Zoals ik alle vreemde en rare mensen sympathiek vind” jaja, haha, ik geloof er niks van, dit hoor ik zo vaak..