Lou, de bewoner van de etage boven de winkel, had de zeilen van zijn levensschip gestreken en was in een rusthuis overleden.
Zijn broer was getrouwd. Hij en zijn vrouw hadden een bakkerij precies naast de slagerij van mijn vader. Deze winkel was een depot van bakkerij Cebro op de Vijzelgracht. Het bakkersechtpaar was al op leeftijd maar beiden werkten nog met plezier. Meneer deed af en toe een beetje vreemd, maar dat hoorde erbij, daar in de Jordaan. Alzheimer was nog niet zo bekend in de zestiger jaren van de vorige eeuw. Hij maalde een beetje, heette het toen.
Op zaterdag was ik vrij van school en hielp mijn vader in de winkel. We gingen dan vroeger van huis, rond 5 uur in de morgen. Mijn vader parkeerde zijn auto, een Opel Kapitän, op de Brouwersgracht. De klanten mochten niet weten dat hij een auto had. Dat kon je toen niet zeggen. Als de klanten de auto soms zagen, was het vaste gezegde: “heeft ie gekocht van mijn centen!” Al kwam zo iemand niet eens in de winkel.
Elke ochtend wanneer mijn vader bij de winkel aankwam, lag er een hoop hondenpoep voor de deur en kon hij eerst beginnen poep te ruimen. Na enkele weken ging mijn vader vroeger naar de winkel om te kijken wie zijn hond voor de deur liet poepen. Hij kwam er niet achter, dus hij ging steeds vaker en harder vloeken in de ochtend wanneer hij weer een hoop vond. En vloeken, dat kon je wel aan een slager overlaten.
Die zaterdag ging ik weer met mijn vader mee. De medewerkers deden het vakwerk en ik mocht met een groot mes vet snijden, prachtig. Ik deed het bijna nooit goed. Het moet kleiner, zei mijn vader steeds, anders bakt het vet niet goed uit. De mensen bakten vet uit voor de kaantjes, die door de stamppot gingen, of met zout op brood.
Mijn vader parkeerde op de Brouwersgracht. We liepen via de Willemstraat naar de winkel. “Dat is vreemd,” hoorde ik mijn vader zeggen. De buurman stond in z’n pyjama buiten, voor onze winkeldeur. “Wat nu buur, kun je niet slapen?” vroeg mijn vader.
“Jawel,” was het antwoord, “maar ik moet even schudden.”
“Schudden?” herhaalde mijn vader.
“Ja, even schudden.” De buurman tilde één been iets op, begon ermee te schudden en tot onze verbijstering rolde er een grote drol uit de pijp van z’n pyjamabroek.
“Zo, dat is weer gebeurd,” zei buurman. Hij groette en ging weer naar binnen, ons verbijsterd achterlatend. We wisten niets te zeggen en ik kon het overschot van zijn avondpot opruimen.
Mijn vader sprak de buurvrouw hierover aan en het toen was het geregeld. Hij hoefde niet meer te vloeken in de ochtend (overdag vloeken was weer een ander verhaal).
Waar gebeurd, in de Goudsbloemdwarsstraat, in de Jordaan.





