Als slager was mijn vader een uitmuntend vakman. Maar achter de toonbank staan? Brrrrrrrr, nee dat kostte klanten.
Mijn vader werd geboren in de Staatsliedenbuurt in Amsterdam. Zijn vader en grootvader waren slager, dus hij werd ook slager. Dat had de familie al besloten.
Hij begon te werken toen hij 13 jaar was, bij een slager in de Nassaustraat, als leerling. Hij bracht de bestellingen naar ‘het gegoede publiek’, zoals dat heette. Met een grote, zware transportfiets. Naast de slagerij bevond zich een fourniturenzaak. De eigenaar was de enige in de buurt met een auto. Dat was omstreeks 1925. Elke dag kwam hij twee biefstukjes van honderd gram bestellen. Daarna reed hij met de auto naar huis en liet de twee biefstukjes per fiets thuis bezorgen.
De fietsjongen (mijn vader dus) moest de biefstukjes dan met de transportfiets naar zijn woning in Amsterdam Zuid brengen, door weer en wind. Het vlees moest achterom afgegeven worden. Vooral niet aan de voordeur, want door de voordeur kwam het gegoede volk. Het plebs moest via de achterdeur. Mijn vader deed later goede zaken en had meerdere slagerijen, maar dit soort praktijken, misbruik maken van een werknemer, is voor hem altijd onverteerbaar gebleven.
Mijn vader had een kort lontje. Als een moeder met een krijsend kind de winkel binnen kwam, wisten zijn medewerkers dat ze de vrouw snel moesten helpen, want als ze tegen mijn vader verzuchtte: “slager wat moet ik híér nu toch aan doen?” dan zei hij doodleuk: “een draai om z’n oren geven.” Fout, fout en nog eens fout. Vrouwen willen geen oplossing, vrouwen willen klagen.
“Wacht maar tot die duiveltjes groot zijn,” zei mijn vader altijd, “dan zeggen de ouders: ‘ik heb álles voor ze gedaan en ze mochten echt álles. En dít is mijn dank!’ Nee, dit is de kérn van alle ellende: geen opvoeding!”
De winkels van mijn vader waren nog ouderwetse slagerijen, met op de grond zaagsel. Een uitgelezen kans voor mijn vader om zijn gram te halen. Kinderen willen altijd een plak worst. Moeder koopt alles voor haar kind, maar de slager wordt geacht een stuk worst te geven – óók aan de hond, want honden mochten toen nog in de winkel komen.
Mijn vader vergat dan expres het kind een plakje worst te geven. Het klein duiveltje gooide zich dan jankend en krijsend op de grond, in het zaagsel. Je zag mijn vader genieten. Dan vroeg hij onschuldig of de kleine lieveling misschien een plakje worst bliefde. Want het kwaad was al geschied: het kind zat onder het zaagsel. Dat was genieten voor mijn vader.
Er werkte nog een slager bij ons. Daan heette hij, een echte Amsterdammer. Hij bediende eens een lastige klant. Toen hij met zijn rug naar de vrouw toe stond, zei hij: ‘’krijg de pleuris wijf.’’
“Wàààààt?” zei de vrouw, “wàààààt zei u?” Ze had een goed gehoor, maar Daan was ad rem: “mevrouw, ik zei tegen mijn collega: ‘kijk de kleur-is van die mooie steak die daar ligt’.” Om daar heel onschuldig aan toe te voegen: “wat dacht u dan dat ik zei?” De vrouw liep rood aan, stamelde een excuus en verliet de winkel.
Een andere keer wilde een mevrouw een “mooie riblap.” (je kan beter een lekkere vragen, maar dat terzijde) “Kan het randje vet eraf, slager?” vroeg ze aan mijn vader.
“Ja hoor, geen probleem.”
Ik ging opletten, want zó kende ik mijn vader niet.
“Mag dat andere randje er ook af?”
“Ja hoor,” zei mijn vader.
“En dat puntje ook, slager?”
“Ja hoor,” antwoordde mijn vader.
Je hoorde het de mevrouw denken: wat een zak, je krijgt alles bij hem voor elkaar.
“Is de riblap zo naar uw zin?” vroeg mijn vader.
“Ja, helemaal slager!”
Toen kwam het: “Zó lust ik die riblap godverdomme óók wel, stom wijf! Opgerot en de winkel uit! En nóóit meer terug komen!”
Nou, en dáárom was mijn vader niet meer geschikt om in de zaak te staan.
Er is één ding wat ik gênant vind: man en vrouw komen de slagerij binnen. De vrouw zegt tegen man: “Coen, wat wil je deze week op je brood naar je werk?”
Je ziet de man rondkijken. “Doe maar lekker de aanbieding van de gebraden rollade.”
Zijn vrouw kijkt hem vernietigend aan: “we hebben zondag al rollade gegeten. En moet je naar de prijs kijken. Nee slager, doe maar gekookte worst, dat blijft ook langer goed.”
Manlief Coen zegt niets, de lul.
“Ja, zo kan je met de duivel samenleven,” zei mijn vader dan altijd. En tegen die Coen voegde hij daaraan toe: “je bent zelfs met hem getrouwd zie ik.”
Mijn vader is met zijn verhalen een graag geziene gast op verjaardagen.




