In een verregend Salzburg heb ik afgesproken met een dame die ik slechts ken van een vrij klein fotootje, nooit zag ik haar in levenden lijve. Volgens haar profielpagina op de datingsite is ze onder andere ‘komediante’, wat dat dan ook moge betekenen. Ik ben een mens die zich gaarne laat verrassen.
Het is frustrerend deze klassieke plaats te moeten bezoeken in de stromende regen. Het kwam nu eenmaal zo uit: ik had slechts een klein gaatje beschikbaar in mijn agenda, toevallig dit ene, natte weekeinde van mei.
Salzburg is een stad die schrééuwt om zon, in plaats daarvan zie ik geparaplude toeristen bijeen klitten in de Getreidegasse. Voor het geboortehuis van de componist, die ik persoonlijk net even wat minder vind dan zijn beroemde eeuwgenoot, die anderhalf decennium later in het Duitse Bonn zijn eerste schreden zette. Mozart – zijn muziek – is mij te blij, te manisch, ik geloof dat zijn wereldpopulariteit deels te maken heeft met het feit dat hij zo extreem jong, al zo goed was. En met het gegeven dat hij een behoorlijk rare kwast moet zijn geweest.
Persoonlijk word ik lichter in het hoofd, van de zwaarte van de heer Beethoven en de Russen. Of van Liszt, Debussy, Chopin, Schubert… noem mij een melancholicus. Vanzelfsprekend ook van de grote, klassieke popmuziek, welks adagium sinds 1956 luidt: Roll over Beethoven.
In Gasthaus Wilder Mann word ik vriendelijk onthaald door de waard en zijn goedlachse vrouw, de Standltjes: Robert en Eva-Maria. Ik ken het sympathieke stel nog van een vorig bezoekje aan de stad, zo’n drie jaar terug, een zakenreis. Ik bestel een grote Apfelschorle, heerlijk fris fruitdrankje dat men in de Lage Landen helaas niet kent, en wacht af. Een blind date is altijd risky business, voor je het weet staat er een in afzichtelijke budget-kledij gehulde karonje voor je, klaar om je met huid en haar op te peuzelen. Weet je er dan maar eens uit te lullen.
Nochtans boezemde ons online contact mij vertrouwen in. Tijdens dat ene telefoongesprek dat we voerden, klonk haar stem aangenaam, het Oostenrijkse accent was ’n lauwwarm bad, waarin ik me met graagte onderdompelde. Haar manier van formuleren bleek alleszins blijk te geven van een bepaalde mate van geestelijke ontwikkeling: Kultur. De precieze aard van haar dagelijkse activiteiten hield ze verborgen onder een sluier van mysteries. Een ‘komediante’, dat was ze klaarblijkelijk, daar moest ik het mee doen.
De kerkklok sloeg juist twee uur, vanaf nu kan ze ieder moment komen binnenstormen. Ja, ‘stormen’, van een komediante verwacht je niet dat ze verlegen, stapvoets het etablissement betreedt. ‘Komediante’ is een naam die verwachtingen in zich draagt: ik zie een vrouw voor me, gezegend met een exceptioneel subtiel gevoel voor humor. Niet grof of plat, echter exact de juiste humoristische snaar rakend. Een wereldvrouw, kortom. Zo’n dame waarvan je wenst dat iedere vrijgezelle heer op aard, er ooit een beminnen mag.
Een tikje op mijn schouder. Zij is het. De eerste indruk is mij welgevallig: dezelfde hartelijkheid die ik digitaal bespeuren mocht. Adelheide draagt een geel vest, daaronder strakke, blauwe jeans en zwarte laarzen. Een lila shawl bungelt nonchalant om haar hals. Een marineblauw regenjack en een ochtendblad in haar handen. Ik kus haar twee keer, geen driemaal: ik ben geen onnozele, patriottische kaaskop, die zijn achterlijke inheemse traditie (drie begroetingskussen) zo nodig wil uitdragen in den vreemde, daarbij schaapachtig uitkramend: ‘three times in Holland.’
‘Mein Gott, liebe Adelheide, hab ich mich nach dir gesehnt!’, zo vang ik het gesprek aan. ’n Tikje slijmerig, maar dat mag best, dunkt mij, je mag een vrouw best het aangename gevoel geven dat je wekenlang enkel en alleen aan háár gedacht hebt, ook al is dat bezijden de waarheid… alles voor de liefde.
Ik schouw in haar ogen en neem daar levendigheid waar. Het gesprek loopt vlotjes. Fijn om te merken dat je op één lijn zit met een gesprekspartner, dat je niet te veel oratorische kuren hoeft uit te halen, om het gesprek gaande te houden. Soms heb je ‘koorddanserskwaliteiten’ nodig, om een conversatie in min of meer goede banen te leiden.
Wanneer we een half uurtje ontspannen aan het kouten zijn (ik ben intussen aan mijn tweede Schorle begonnen, mijn gesprekspartner drinkt ijsthee), stel ik voor een wandeling te gaan maken langs de kleurrijke perken van de Mirabellgarten. Zij stemt in. Op het moment dat we de andere oever van de Salzach bereikt hebben, haalt Adelheide iets uit haar jaszak. Het is een handpoppetje. Een mini-Mozart. Ze beweegt met haar vingers de handen van het kleine, muzikale wonderkind en laat hem praten met een hoog kinderstemmetje, dat ze plots uit haar strottenhoofd heeft weten te toveren. Een behoorlijk potsierlijk gebeuren, als je het mij vraagt.
Nochtans glimlach ik braaf terug, als het kleine menneke mij iets vraagt, geef ik hem keurig antwoord. Ik speel het spel volledig mee. Al begin ik me wel af te vragen wie de vrouw precies is, die naast me loopt: schuilt er een kinderlijke kant in haar, die ze tot dusverre voor mij verborgen heeft weten te houden? Het beoefenen van het nobele, klassieke handpoppenspel… zou dát voor haar de term ‘komediante’ impliceren?
Ik huiver en loop door. Eerst een kwartier later is de rust weer neergedaald in de koele, natgeregende, voor het moment droge stad. Adelheide heeft het poppetje opgeborgen en daarmee eveneens haar schelle stem. We zijn ondertussen aanbeland in de fleurige tuin van Schloss Mirabell. Het uitzicht richting de vesting Hohensalzburg nodigt uit tot ontplooiing van mijn fotografische talenten. Op het moment dat ik mijn camera tevoorschijn heb gehaald, besluit ik hem gelijk weer op de bergen. Ik beslis dat ik mij Salzburg niet wil herinneren met donkere onweerswolken. Als ik al foto’s schiet, dan alleen met blauwe luchten en witte wolken. Wellicht heb ik morgen meer geluk.
Behoedzaam neem ik plaats op een bankje, deels droog gebleven door vrijpostig overhangend lover. Mijn Oostenrijkse date biedt me een Mozartbonbon aan, een lokale chocoladespecialiteit. Ik heb zin in de zoetigheid, maar nog meer heb ik zin in háár, dus ik bedank en zeg dat ik liever de hare heb, waarna ik met mijn lippen ondeugend op zoek ga naar haar bruin omrande mond.
Op dat moment schikt Adelheide ras terug in haar iele constitutie. Een tel later zit ze weer met het irritante poppetje in haar hand. De knul spreekt mij streng toe, vertelt me op een belerende toon dat ik toch niet zomaar ongevraagd vreemde dames mag zoenen, nota bene op de éérste date! Wat een kleine zondaar ben ik wel niet: een Schuft, een Gauner, een Halunke…
De infantiliteit van de schertsvertoning breekt me op. Ik kan niet meer, voel alle energie op slag uit mijn lichaam vloeien. Ik vrees dat mijn date met een of ander complex door haar leven banjert. Iets met haar kindertijd wellicht, waarin een en ander niet goed is gegaan. Niet leuk voor haar, maar ik ben er mooi klaar mee. Ik ben geen therapeut, ook geen psycholoog, en heb ook absoluut geen behoefte om in een soortgelijke rol te kruipen.
Al wat ik wil is een beetje romantiek, liefde, aandacht… is dat te veel gevraagd? Wanneer je helemaal naar Salzburg afreist voor een blind date ben je sowieso niet helemaal goed bij je hoofd: dan mag je toch op z’n minst verwachten dat je afspraakje dat wél is…
Helemaal op, ben ik. De zee waaruit ik mijn gedachten puur, is kaal en doods: geen leven meer daar. Er schiet mij nog één paardenmiddel te binnen. Drie tellen later is Adelheide al onderweg om hulp te halen voor mij, arme drommel die plots zijn bewustzijn verloor. Wanneer ik zie dat ze uit zicht is – en de kust veilig – kan ik mijn theaterstukje beëindigen.
Als de bliksem sta ik op en ren zo snel ik kan naar mijn hotel, waar ik aan de bar twee whisky’s naar binnen giet. Aangekomen in mijn kamer – nummer 13 – laat ik me doodmoe vallen op het zachte tweepersoonsbed. Een stonde later sluimer ik in een diepe remslaap, waarin zich een droom bevindt, die ik mij de rest van mijn leven niet herinneren zal.


