Gastblogje schrijven, dus maar dicht bij huis beginnen. Hoewel dat relatief is, het raakt steeds verder van mij vandaan. Ik bedoel het basisonderwijs. Tot drie jaar terug was ik daarin werkzaam en als gevolg daarvan ging ik veel met vrouwen om. Geregeld tot genoegen, niet altijd. Daarover later meer.
De grote school, zo noemden we dat thuis, zag er vroeger overzichtelijk uit. De kleuterschool stond er nog los van, de eerste tot en met de zesde klas werden voorgezeten door drie dames en drie heren. Uiteraard de mannen in de bovenbouw, want dan wordt het pas echt belangrijk, dat onderwijs. Althans zo dacht men in die tijd. De altijd opstandige grande dame Annie M.G. Schmidt dacht daar anders over door te stellen dat een kind slechts één keer in zijn of haar leven iets leert, namelijk als het leert lezen, maar dat terzijde.
Later had ik eigenlijk geen idee wat ik later worden zou. Ik was goed in tekenen en verhalen schrijven, dat deed ik altijd al. Logisch zou zijn om voor een creatief beroep te kiezen, maar dat schuift niet, zo werd me voorgehouden. Denken, dat werd voor je gedaan en dus werd het onderwijs, zoals mijn ouders voor mij hadden bepaald. Een eerzaam beroep dus. Christelijk onderwijs ook nog, dus aan alle kanten iets waar je mee voor de dag kon komen.
De beroepskeuzetest gaf aan dat ik vooral met mensen wilde werken, en zo heb ik het vierendertig jaar lang volgehouden om voor de klas te staan. Een man tussen de vrouwen, want zoals u wellicht weet: er gaat bijna geen jongen meer naar de PABO. Het verdient niet genoeg, er zijn geen promotiemogelijkheden, de werkdruk is te hoog, je bent tijdens weekenden en vakanties nog steeds aan het werk, zeur, zeur, zeur. Inderdaad, het is nog waar ook, maar stap dan uit. Bij deze: gedaan!
Onderbelicht: je moet er tegen kunnen om met zoveel vrouwen samen te werken. De komende blogs zullen daar de nodige aandacht aan besteden. En voordat ik al het vrouwvolk over mee heen krijg (mag ik zelf kiezen wie?), ik hou van jullie. Maar mag het soms een beetje minder? Minder wat? Ga ik uitleggen!
Het is nog vroeg. Half acht om precies te zijn. Het hele team, liever: de hele ploeg, is zoals gewoon alweer aanwezig. Het rent op en neer door de gangen. Collega’s die tripjes afleggen richting kopieerapparaat en vice versa. Wie het eerst komt, wie het eerst maalt immers. Een half uurtje later begeeft men zich druppelsgewijs richting lerarenkamertje. Ik hang in een stoel, want ik moet nog wakker worden. Een aantal dames kwebbelt vrolijk over de kinderen in hun klas. Jemig, heb het eens over voetballen, tv-programma’s van gisteren, om mijn part over je demente oma, maar niet nu al over de kinderen!
Komt er een vrouwelijke laatkomer binnen. “Goh, leuke schoenen heb je aan, waar heb je die gekocht?”. Allemachtig, wat kan iemand het nou donderen wat voor schoenen een ander aan heeft. Wil je mijn onderbroek zien? Is ook nieuw potverdikkie! En zo beoordeelt het kippenhok elkaar, terwijl de haan langzaam aan het doodgaan is. Nee, ik zeg er niks van, want het antwoord ken ik al: “jij bent ook niet in een ander geïnteresseerd zeg!” Alsof dat vrouwvolk karakters, eigenschappen, hun hele hebben en houden in die stomme schoenen hebben gepropt.
Ah, daar komt de conciërge eindelijk binnen. Een man! Yes een man! “Hee Jan, is dat condoom in het fietsenhok van jou soms?”, buldert hij. Ik ontken. “Is mijn maat niet joh, veel te klein!” Gaat hij verder: “hou jij van pijpen?” Ik geef aan dat ik er niet onverschillig onder blijf, waarop hij zegt: “Nou ik niet hoor!” Verbaasd kijk ik hem aan, dit had ik niet verwacht van de oude schuinsmarcheerder. “Nee hoor, wel van gepijpt wòrden!” We bulderen van het lachen, maar aan de andere kant van de tafel is het plotseling opvallend stil.





