Nederland stond in brand. Een oranje vuurzee. Reden: de Hollandse olympische equipe was met een formidabel aantal medailles teruggekeerd uit Guadalajara, waar de Zomerspelen zich hadden afgespeeld. Gouden, zilveren en bronzen plakken waren behaald in de meest uiteenlopende, uiterst vooraanstaande sporten: de moderne vijfkamp, het gewichtheffen en worstelen, het trampolinespringen, de ritmische gymnastiek en het synchroon zwemmen, het boogschieten… en nog enkele takken van sport die wat minder tot de verbeelding spreken.
Wellicht de meest betekenisvolle medaille was behaald in de atletiek. En wel door ondergetekende. Een gouden medaille op het onderdeel 50 kilometer snelwandelen. Toch een van de koningsnummers van de moeder der sporten, dunk mij, samen met de marathon, de tienkamp en de 100 meter sprint.
Ik was dan ook zo trots als een pauw. Temeer daar ik als enige Hollander een medaille had mogen behalen, in wat toch wel de sport mag worden genoemd, die het meeste internationale aanzien heeft. Kort en goed: ik was binnen enkele dagen uitgegroeid tot een ware mediahype, zowel in binnen- alsook in buitenland.
Men kon nauwelijks nog om mij heen, weinig talkshows werden in die postolympische dagen opgenomen, zónder de aanwezigheid van het wandelfenomeen uit Holland. Ik stond de Ierse televisie te woord, de Amerikaanse, Japanse, Russische tv, de Duitse, de Italiaanse… Maar ik sloeg vanzelfsprekend de diverse vaderlandse media niet over. Het Nederlandse publiek had er recht op hun held te kunnen bejubelen.
Dat gebeurde pas goed, een week na mijn legendarische zege, en wel in het centrum van mijn woonplaats Tilligte. Praktisch alle circa zevenhonderd inwoners van het mooie, Overijsselse plaatsje waren uitgelopen om hun held te lauweren: een warme fotoalbumherinnering.
Enkele dagen later ontving ik een schrijven van de gemeente Denekamp. Ik werd uitgenodigd op het stadhuis, omdat het Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden klaarblijkelijk had behaagd, mij een koninklijke onderscheiding te doen toekomen.
Verguld, was ik hier allerminst mee. U moet weten, ik beschouw mezelf als een haast fundamentalistische republikein. Het gaat er bij mijn eenvoudige harses simpelweg niet in, dat een familie louter vanwege zoiets triviaals als erfopvolging, zo’n grote rol van betekenis mag blijven spelen in ons kikkerlandje: laat die lui eens gaan werken voor hun geld, in plaats van onze miljoenen op te souperen!
Een kleine week nadat die brief op mijn deurmat was neergeploft, draaide de media-aandacht voor mijn persoon pardoes honderdtachtig graden. Ik had nooit kunnen bevroeden dat de Nederlandse bevolking zó kleinburgerlijk en koningsgezind is.
Oké, toegegeven, de opmerking ‘de koning kan dat lintje wat mij betreft in de grote, vette pukkelreet van zijn eega steken’, opgetekend door een landelijk dagblad, is wellicht niet de meest tactische uitspraak die ik ooit in mijn leven heb gedaan. Toch verbaasde mij de omvang van de emmer stront, die ik vervolgens over me heen kreeg; ontlasting van zowel de diverse landelijke media, alsook van ‘burger Jan met zijn pet/burger Janneke met haar baret’.
Die hectische tijd ligt alweer een maand of drie achter me. Ik moet zeggen, het leven met persoonsbeveiliging begint al ʼn beetje te wennen. De twee gorilla’s die mij rondom het uur bewaken zijn geen onsympathieke knuppels, al ontberen ze dan een bepaald ‘basisgevoel voor zelfrelativering en humor’. Dat neem ik ze niet kwalijk, elk beestje zingt zoals het gebekt is.
Ik ben momenteel bezig met een emigratieprocedure, ik probeer politiek asiel aan te vragen in Belgenland. Geen lichte opgave, aangezien ik me in het verleden nog weleens kritisch heb uitgelaten over onze zuiderburen in het algemeen, en één Vlaming in het bijzonder. Een zekere Stafke van Mechelen, een collega van mij, bij wiens komeetachtige opkomst in het internationale snelwandelveld, ik ooit vraagtekens (lees: dopingaccusaties) plaatste.
Ik moet leren op de juiste momenten mijn mond te houden. Daarvoor volg ik nu een cursus zwijgen bij een zogenaamde ‘zwijgcoach’, de jongste loot aan de boom met gebakken-lucht-beroepen, die de meest recente decennia als paddenstoelen uit de herfstgrond zijn geschoten.
De therapeute is een vlotte tante en haar oefeningen werpen hun vruchten af (ik leer steeds beter tot tien te tellen, voordat ik een controversiële stelling poneer), 500 euri per seance vind ik nochtans wel wat overdreven. Ik houd m’n mond er maar over, anders krijg ik zó vijf extra sessies aan m’n broek gesmeerd.






