Twee maal per week, op maandag en vrijdag, een inkijkje in het moeizame leven van Otto Berendsen: man.

Bron: Flickr.com
Otto Berendsen, docent Onduidelijke Vakken aan gefuseerde scholengemeenschap de Vallei (waar met bewondering werd gekeken naar de gedurfde vastgoedplannen van ROC Leiden) lag met dichte ogen en bewegingloos in een witte ziekenkamer.
Wouter Beekman is op de terugweg van een eerste afspraak met zijn scheidingsconsulent en stuurt de Audi 8 een flauwe bocht in. Als hij verblind wordt door het groot licht van een tegemoet komende bestelbus, wijkt hij uit en voelt hoe zijn voorbanden de modderige berm inschieten.
‘Wilma krijgt goddomme het huis’, is een van de gedachten die nog in zijn hoofd voorbij snellen, voordat de wagen scherp naar rechts trekt. Hij voelt hoe hij verder het zuigende gras inschiet.
De gedaanten die in een flits voor hem in zijn koplampen verschijnen, lijken nog het meest op van die bordkartonnen poppen die je soms op straat als reclame voor een winkel ziet staan, denkt hij. Dan hoort Wouter vlak na elkaar twee snelle klappen tegen de motorkap van zijn wagen en een geluid van brekende takken. Ook die associatie dringt nog tot hem door. Dan staat hij vol op de rem. De Audi slaat af. Het is stil.
Het eerste dat Otto Berendsen opviel toen hij een oog opendeed was het plafond. Witte platen met grauwe vochtplekken die in elkaar overvloeiden.
Zonder zich vooralsnog iets af te vragen, probeerde hij in het spel van lijn en schaduw beelden te ontdekken. Gezichten, gedaanten. Blote mannen en voluptueuze vrouwen in obscene standen. Daar was hij goed in, zeker als hij zich concentreerde en er zijn fantasie op losliet. Dat kon hij ook in marmeren tegels en abstracte behangpatronen.
Maar vocht, hoe kon dat… Dit was niet het strak gestuukte plafond waar hij de laatste maanden aan zijn kant van de Auping in klaarwakkere uren naar had liggen staren.
Otto probeerde zich op te richten, zijn hele lijf deed pijn en wat was er met zijn been? Het rechterbeen van Otto Berendsen hing in een hoek van 45 graden boven zijn bed in een soort beugel.
Hij kon het niet bewegen. En dorst zo’n dorst… Otto schraapte luidruchtig zijn keel. Hij produceerde een schorre, hoge piep die tegen de muren van de kamer weerkaatste. Hij draaide zijn bonkende hoofd naar rechts en zag dat het bed stangen had en dat er een kastje naast stond met daarop een glas water.
‘Ik ben dus in een ziekenhuis’, constateerde Otto nuchter, terwijl hij met bevende handen het glas pakte en grote slokken water dronk.
‘Ah, meneer eh, Brendsen, we zijn wakker.’
De verpleegkundige, een forse vrouw van begin vijftig, stak de multomap, waar ze bij binnenkomst een snelle blik op had geslagen, onder haar rechteroksel en kwam met ferme stappen op hem af.
Ze boog zich over Otto heen terwijl ze zijn laken en sprei tot onder zijn kin optrok en de beide uiteinden van het dek stevig instopte.
‘Het is Berendsen, mevrouw, Otto Berendsen.’
‘Ja ja, u heeft ons wel laten schrikken hoor.’
‘Aletta Jarmijn’, stond op de badge onder haar linkerborst, die in het smetteloze uniformjasje op luttele centimeters voor Otto’s neus heen en weer zwaaide. Ondanks het kreukvrije, gesteven materiaal kwamen de contouren ervan toch strak in beeld. Otto klemde zijn handen om de stangen van het bed. Hij zou toch niet… onwillekeurig.
Kijk, als net ontwaakte patiënt zou een snelle greep zeker op het conto van zijn aanwezigheid hier worden geschreven. En na gedane zaken kon hij desgewenst met een diepe zucht in een gesimuleerd coma zakken.
Je hoorde tenslotte wel vaker dat in ziekenhuizen…
Waarom kon hij het toch niet laten om in elke situatie, hoe ellendig ook, tegenover elke vrouw…
Om de twee minuten las hij laatst, een man dacht bijna nergens anders aan.
Aletta Jarmijn kwam overeind.
‘We gaan u heel even temperaturen.’
Uit een van haar jaszakken diepte ze een klein pistooltje op.
‘Ik moet u een seconde plagen, hoofd een stukje opzij, zo…’
Het tuitje van het apparaat drong kriebelend Otto’s oorschelp binnen. Hij had bij temperaturen in het ziekenhuis alleen de herinnering aan zijn amandeloperatie van vijftig jaar geleden. Otto zag de kwikthermometer weer, die door de zuster voor gebruik krachtig werd afgeslagen en vervolgens met een ruk rectaal tussen zijn jonge billen werd gejast.
Waar bleef de tijd.
‘37.5, mooi, Straks komt de zaalarts even bij u kijken.’
‘Maar eh, zuster’, Otto moest snel zijn, want ze had zich op weg naar de gang alweer half omgedraaid, ‘wat is er gebeurd, waar ben ik, wat heb ik? Hoe lang ben ik… buiten bewustzijn geweest?’
Terwijl hij de woorden uitsprak, besloot Otto dat hij deze term in het mondelinge verslag over zijn toestand zou handhaven. ‘Buiten bewustzijn…’
‘ U bent in het Academisch, de rest hoort u straks van dokter Heuveling’, zei Aletta, terwijl ze op haar witte klompen haastig de kamer uit klepperde.
maandag aflevering 35; aflevering 33 vind je hier





