“Pap! Schiet eens op! Ik kom hartstikke te laat voor gym!”
Shit ja, gym. Dat was ik even vergeten.
“Heb je je spullen al gepakt?”
“Ja!”
“Heb je je drinkfles bij je?”
“Ja-haa! En als je nu alles één voor één gaat navragen, kom ik zeker te laat. Schiet! Op!”
Kinderen kunnen soms zo verschrikkelijk dwingen.
Ik scheur de rondweg op. Simone houdt zich in de bochten aan de handgreep vast. Oranje. Haal ik nog net. Yes!
“Pap, doe effe normaal, ja? Ik kom liever te laat aan dan dood, hoor!”
“JIJ was zo aan het pushen, weet je nog?”
“En JIJ was het vergeten, weet je nog?”
Ze kunnen niet alleen dwingen, maar soms ook nog irritant verstandig zijn, die kinderen.
Ik draai de auto de parkeerplaats van de sporthal op. Gehaald. Há! Ik blijf voor de deur staan en laat Simone uitstappen. Dan gelijk nog even langs de Lidl.
“Doei, pap!”
“Dag meiske, tot straks!” Ik leun naar haar kant en zwaai haar uit.
Boem.
Dat was het. Meer niet. Een doffe klap. Het geluid van mijn Seat-carrosserie die ongewenst door een vette bumper gekust wordt.
De deur van de achteruitrijder zwaait open. Hij raakt nog net niet de auto naast hem. De mazzelaar.
“Góóódverdegodverdegodver!! Jij kloothommel! Kun je niet uitkijken waar je stil gaat staan, idioot? Waarom ga je uitgerekend achter MIJN auto staan? Ik had wel dóód kunnen wezen!”
Ik blijf stil zitten. Uitstappen kan ik toch niet: de vloeker zit met zijn auto-kont tegen mijn deur. Meneer tiert door. Dat ik daar helemaal niet mag staan, dat ik op had moeten passen voor uitparkerende auto’s. Dat ik een oetlul ben en dat hij NU de politie gaat bellen om me aan te geven wegens roekeloos rijgedrag op een parkeerplaats.
In alle rust draai ik mijn raampje open en leun met mijn arm op de rand.
“Meneer. Ik reed niet roekeloos. Ik stond stil. U niet. U reed achteruit. Ik mág hier ook stil staan, om mijn dochter uit te laten stappen. Als u uitparkeert en achteruit rijdt, bent u degene die uit moet kijken. Ik niet. Zo zijn de regels.”
Meer zeg ik niet. Ik pak mijn telefoon, wurm me over de pook heen naar de bijrijdersstoel en stap uit. Ik kijk de man even meewarig aan en begin uitgebreid foto’s maken. Van ieder raakpunt, ieder krasje, van het kenteken, van de gehele situatie, van de man zelf naast zijn lelijke BMW.
Die is het er niet mee eens.
“Nog foto’s maken van je eigen stommiteit ook?” gilt hij. “Die waar ik op sta, mot je gelíjk wissen. Nu! Goffer, geef hier die kuttelefoon!”
Hij komt dreigend voor me staan. Best groot, die vent. Hij heeft een suf snorretje, een kruisje om zijn nek en een gouden oorbelletje. En een gruwelijk slechte adem.
“Kauwgumpje, meneer?” floep ik eruit.
“Nee! Je foon!” brult hij in mijn gezicht.
“Die is wat taai en helpt niet bij een slechte adem als de uwe,” ga ik doodgemoedereerd door. “Als u nog verder met mij over dit voorval wilt converseren, zult u eerst een paar minuten deze twee kauwgumpjes moeten kauwen. Anders val ik om.”
Hij ontploft bijna, maar stopt toch braaf de kauwgum in zijn mond. Drie stuks zelfs.
En dan… blaast hij een bel, tot aan ontploffen toe. Boem.
Een politiewagen draait de oprit op.
“Godskolere, heb jij daarnet écht de politie gebeld?” vraagt hij mij, woest, verbouwereerd en in paniek tegelijk.
“Nee. Dát heb IK gedaan.” Simone kijkt trots. “De mevrouw aan de telefoon zei eerst dat er voor dittem niemand gaat komen. Maar ik ging gewoon even huilen en toen zei ze dat er een wagen aan zou komen omdat ze toch al vlak in de buurt waren. En, meneer, IK heb toevallig álles gezien! Want ik stond daar, bij de deur. En u zat mooi hartstikke fout, meneer!”
Ik glim. Mijn dochter, de verstandige. En ze zei nog ‘u’ en twee keer ‘meneer’ ook.
De oorbel graait in paniek naar zijn portemonnee, tovert duizend euro tevoorschijn en duwt die in mijn handen. Nu kijk ik verbouwereerd.
“Hier, mot genoeg wezen. Maar zeg de pliesie alsjeblieft dat we ‘t allemaal al lang geregeld hebben, ja?”
De agent leunt uit ‘t raampje. Verstandige mannen doen dat.
“Wat is er hier gebeurd, heren?” vraagt hij semi-glimlachend. Zijn kaken malen. Kauwgum. Goed voor alles.
“Lijkt me duidelijk, hè. Meneer reed zonder te kijken achteruit. En daar stond ik toevallig om mijn dochter uit te laten stappen. Maar meneer gaf meteen beleefd toe dat hij fout zat. En we hebben getuigen. We regelen het onderling wel.”
“Prima. Beter zo. Fijne avond nog, heren.”
“Zelfde!” roept de oorbel allervriendelijkst terug. Gebroederlijk kijken we ze na.
“Wat voor kauwgum is dat?” vraagt hij ineens. “Lekker spul, maakt rustig.”
“Hier, heb je het hele pakje.” Ik druk hem mijn doosje Nicotinell in de handen. Hij staart ernaar, maar kan niets uitbrengen.
“En nu wegwezen. Anders gaat dit hele gedoe je veel meer kosten. Hop. Vort.”
“Kan niet. Daar sta jij met je kar.”
Oh ja. Ik frommel de duizend euro in mijn broekzak, stap weer via de bijrijdersdeur in en rij een stukje naar voren. Met een noodvaart scheurt hij weg.
“Hop meis, gymmen jij. Nu ben je pas echt veel te laat. Ik wacht hier wel.”
“Ga dan wel even op een normale parkeerplaats staan, ja? Oh, enne pap, heb je goed gedaan. Ik had die eikel vet op zijn bek geslagen. Gewoon. Boem.”




