
Bron: Morguefile.com
Gisteravond had ik zomaar ineens een verregaande en zeer ongewenste interactie met de jeugd van tegenwoordig. Het geval wilde dat ik naar een niet nader te bespreken date fietste.
Die jeugd van toen
In mijzelf fluitend trap ik flink door. Door de regen. Door de hoofdstraat. En door het park. Daar zie ik in de verte een groepje jongetjes van hooguit een jaar of tien. Ze lopen, ondanks het hemelnat, wat te kuieren en te lanterfanten. Hangkinderen. Een mooie aanblik.
Ik, middelbare mijmeraar, denk in zulke gevallen meteen terug aan mijn tienertijd. Mijn herfstnamiddagen in het park, met mijn tienermatenclub. Mooi waren die. In de najaarszon (ja, die had je toen nog) door de bulten bladeren waden. Of een maat onder een berg herfstafvalligheden begraven. Die sprong dan tevoorschijn sprong om een voorbijkomende fietser of wandelaar eens even flink te laten schrikken.
Zo nu en dan floten we een wat oudere vrouw (van een jaar of 30) opvallend na, zodat ze flink ging blozen. Alsof wij fiere vijftienjarigen haar mooi vonden, hah! Gefopt. Of we liepen even mee met een omaatje en vertelden haar de laatste superschunnige moppen. Dan hoorde je zo’n mensje gechoqueerd mompelen: “Oh, oh, oh. Die jeugd van tegenwoordig…”
Agressief kindergeblaat
Half verheugend houd ik mijn ogen al open voor een plotseling exploderende bladerberg. Helaas word ik dit keer op andere wijze getrakteerd.
“Hey klootzak! Vuile homo!”
Huh? Hebben ze het tegen mij? Zal toch niet?
“Ja jij, gore ouwe tyfuszak! Ga ergens anders heen? Tief op met je kolerefiets, kutvent!”
Gedrieën staan ze me agressief toe te blaten. Twee wat minder moedigen kijken slechts minachtend grinnikend naar mij. En een heel moedige gaat zelfs pal voor mijn fiets staan, voor de duvel niet bang. Als je hun woorden niet zou horen en hun gezichtsuitdrukkingen niet zou zien, zou je denken dat je met een groep oer-Hollandse, ja zowat Arische jongetjes te maken hebt.
NSB-opa
“Hè? Nou, nou, jongens, wat is dát nu voor manier van praten…” stamel ik, kortstondig van mijn à propos gebracht. Is dít de wijze waarop 9-jarigen – ouder zijn ze echt niet – zich tegenwoordig op een herfstnamiddag in het park amuseren? Wildvreemden uitkafferen? Voor de lol?
Maar die niet al te handige opmerking maakt het allemaal nog erger. Mijn fietsstuur wordt stevig vastgepakt. “In welke wereld leef jij, ouwe? Want dit is toevallig de onze! Rot op naar je eigen bejaardenvergashuis, NSB-opa!” Ik sta paf over de taalkundige uitingen van deze slechts ogenschijnlijke kindertjes.
En dan ben ik het zat. Dit zijn snotdomme nog niet eens tieners! Kleine opdonders met een veel te grote bek. ‘Bejaarde’, tsss…
Ja, dat moet, ouwe lul
Beheerst ga ik in volle lengte (en breedte) naast mijn fiets staan. Redelijk getraind door mijn recente sportschoolbezoeken (ja, ja, het wordt wat met mij) sla ik mijn armen over elkaar, pomp mijn biceps op en knijp mijn ogen tot venijnige spleetjes. Ik staar ze een voor een indringend en dreigend aan.
“Móét dit? Vinden jullie dít leuk als tijdverdrijf? Moet dit nou echt?”
Nu deinzen ze toch ietwat terug, maar het “JA! DAT MOET, OUWE LUL!” volgt al snel. Ook mijn fietsfixator blijft vooralsnog standvastig.
Rennen, klotekoters
“Nee. Fout. Dit. Moet. Níét!” brul ik getergd. “Ten eerste blijf je met je vuile kinderpoten van mijn fiets af, onderkruipsel.” Hop, daar is mijn stuur alweer vrij. “En ten tweede kennen jullie mij helemaal niet. Ik kan wel een gestoorde serial killer zijn, op zoek naar bloedirritante mannekes als jullie. Jullie ‘hobby’ is dus een heel gevaarlijke. Maar jullie hebben mazzel, want TOEVALLIG ben ik slechts regionaal kampioen Krav Maga.” Ik houd mijn handen alvast in de geijkte Krav Maga pose (geleerd van opperstreetfightkoning Bas Rutten) en haal even veelbetekenend adem.
“Wel heb ik daarnet een ander stel net zo idiote kutkinderen eens even fatsoenlijk met de koppen tegen elkaar geramd. God, wat voelde dat goed. Die liggen daar verderop te bloeden. Ja, ga maar gauw kijken. Hop, hop! Want als jullie nu niet héél snel oprotten en een andere hobby zoeken, gaat dat binnen nu en twee seconden ook met jullie gebeuren. RENNEN, KLOTEKOTERS!!”
Meer dan tevreden over mijn tirade kijk ik hen na.
Ik ben zó goed met kinderen, hè. Ik boze witte man.
Die ‘jeugd van tegenwoordig’ wordt ook steeds jonger.

