
Bron: Morguefile.com
Om de paar meter lichten ze oogverblindend op. Dan gaan ze voor een paar seconden uit, om een paar meter later weer hels felrood op te doemen. De remlichten van mijn voorganger. En die van diens voorganger. En diens. En diens.
File-communie
Filerijden is als de communie in de kerk: elke keer moet je even wachten op degene voor je, en die daarvoor, voordat je weer een stapje vooruit kunt. Met één verschil: in de kerk staat de voorganger al vooraan. Met zijn beloningshosties.
Mijn werk is mijn priester, met die beloning in de vingers. Elke doordeweekse dag weer een opluchting als ik daar met horten en stoten ein-de-lijk aangekomen ben. Dan stokt het nog even bij ‘t inklokken, maar daarna kun je weer verder met je vooruitstrevende leven.
Haatverhouding
Nee, ik heb geen haat-liefde-verhouding met filerijden; enkel een haatverhouding. En dat is best een handicap als je, zoals ik, in de randstad woont. Ik ben namelijk dol op autorijden. SNEL autorijden. Of in ieder geval: ‘gewoon rijden, niet zo goed als stilstaan’. Maar dat mag tegenwoordig niet meer: 100 is binnenkort zelfs overal de max. Niet dat dat wat uitmaakt: sneller dan 60 kun je op de meeste wegen toch al niet. Overdag, althans.
En daarom heb ik een – in de huidige tijd – geheel onverantwoorde hobby. Op vrijdagavond kan ik mij er al op verheugen. Op zaterdagmiddag tref ik laatste voorbereidingen voor het geval dat ik onverhoopt strand: een noodvoedselpakket, een thermosfles koffie en een dekentje in de kofferbak. En op zaterdagavond trek ik erop uit. Dan ga ik autorijden. In plaats van autostilstaan.
Middenstrepen vreten
Met mijn ouwe bak scheur ik om 12 uur ‘s nachts met een luttele 133 kilometer per uur over de snelweg. Bij voorkeur over de A12, want die is lekker dichtbij en daar mag je nog ‘hard’. Dan via de A4 tussen de trajectcontroles door met dik 110 over de A13, want daar kun je sowieso op geen enkele andere tijd normaal doorrijden.
En dan geniet ik, midden in de weekendnacht, van lege wegen. Van lantaarns in de middenberm die ik achteloos achterlaat. Weg. Weg. Weg. Ik slurp de middenstrepen op, die onder de grill van mijn auto en in mijn achteruitkijkspiegel verdwijnen. Want ik kán nu midden op de weg rijden en twee banen in beslag nemen, zonder dat ik direct iemand stoor. Het is dan alsof mijn auto witte streepjes poept. Zo sereen.
Slinger zonder middelvinger
Ik raak in verrukking van het constante gebrom van mijn dieselmotor. Ik test op volle snelheid de remmen, tot ze mij tevreden stemmen. Af en toe maak ik een opzettelijke slinger, en dat geheel zonder een blik op andermans middelvinger! Ik kijk minstens een mijl voor mij uit op de snelweg, die zijn naam nu pas kan waarmaken. Dankzij mij. En dat alles zonder ook maar één remlicht voor mijn neus. Zen is wat ik dan ben.
Geen vrachtwagens, geen auto’s met aanhangers, geen Poolse busjes, geen bejaarden bevattende kruipmobielen. In mijn hoofd galmt een theorie-examenvraag.
“U wilt hier met 130 inhalen. Mag dat?”
Ja. Dat mag. Maar het hoeft niet! Er is toch niemand om te passeren.
Rijverslaving
Je zou het bijna een dwangneurose kunnen noemen. Een verslaving. Maar hoe lang nog? Hoe lang tot mijn wagen niet meer mag? Tot ík dit niet meer mag? Tot alles beknot en verboden is en mijn klimaatschuldgevoel afdoende aangepraat? Wanneer komt het punt dat ik een andere vorm van mannenmeditatie moet gaan zoeken?
Als het dik en wel zondag is en ik met een zucht van verlichting over de A20 naar huis tuf, ben ik weer min of mee opgeladen voor een nieuwe week van frustrerend filerijden. Thuis eet ik mijn noodrantsoen op onder het genot van een kop lauwe thermoskoffie. En dan kruip ik, geheel verlicht, onder de dekens. Licht uit.



