Ze nodigde mij uit voor een etentje met aansluitend een huiskamerconcert. Daar zij placht te verkeren in kringen die ik gezien mijn afkomst ‒ mijn ouwe heer was een ouwe socialist ‒ behoor te verachten, had ik er niet bijster veel zin in.
Niettemin wist ze me te overreden en op zaterdagavond zaten wij aan wat blijkbaar de beste kreeft van het seizoen was. Mij deed het niet veel, ik geef in de regel de voorkeur aan een flinke entrecote, medium, maar dat hield ik wijselijk voor me. Mijn levenservaring heeft me geleerd dat op sommige momenten van je verwacht wordt dat je je mond houdt. Ook wanneer je denkt gelijk te hebben. Gelijk hebben is geen kunst, glibberig en gluiperig door het leven en allerhande sociale kringen laveren, dát is de kunst!
Nadat ik het met zilverdraad versierde, damasten servet na afloop van de laatste gang discreet naar mijn mond had gebracht ‒ zoals dat in die milieus te doen gebruikelijk is ‒ was het tijd voor het échte toetje van de avond: het concert.
Niet slechts een geringe verbazing bekroop mij toen ik in de in een smetteloos zwart rokkostuum gestoken man, die achter de vleugel plaatsnam, wijlen de heer Franz Liszt herkende. Dit is onmogelijk, dit bestáát niet, schoot er door mijn hoofd: ik bevind me ofwel in een droom, dan wel in een psychose.
Die laatste optie achtte ik niet zeer waarschijnlijk, daar ik dienaangaande geen historie had. Mogelijk nog merkwaardiger dan de identiteit van de pianist was het feit dat mijn vriendin en de andere aanwezigen deden alsof deze de normaalste zaak van de wereld was.
Er was geen sprake van geroezemoes of opgetrokken wenkbrauwen, nee, niets van dat alles. Men genoot van de meesterlijke klanken zonder er ook maar in het minst blijk van te geven dat men het toch allemaal wel heel eigenaardig vond wat er zich in de stijlvolle jugendstilsalon afspeelde.
Ik besloot me aan te passen en te doen alsof mijn neus bloedde. Voor geen goud wilde ik de kans laten lopen om een concert bij te wonen van een van de grootste klaviergenieën die de wereld ooit gekend heeft ‒ wat mij betreft hét grootste genie überhaupt.
Als in een droom bracht ik het volgende uur van mijn leven door. Ik was begeesterd op de voor mij typische introverte manier: Men kon het niet aan me afzien, maar vanbinnen gloeide ik. Dat ik dit nog mocht meemaken! Ik realiseerde me dat ik een uitermate bevoorrecht mens was.
Na afloop van het concert, toen het slotapplaus had weerklonken, wilde ik op de grootmeester afstappen ‒ dit fenomeen met zijn melancholische oogopslag en zijn karakteristieke lange, golvende haar, die hem de aura verleenden van Europa’s eerste popster ‒ om hem persoonlijk te bedanken voor zijn optreden en het simpele feit dat hij bestond. Maar verdwenen was hij reeds. Zoals hij gekomen was, zo was hij weer ontrukt aan mijn blikveld. Onaangekondigd, als een zuchtje wind. Melodieuze wind.
‘Vielen Dank für alles’, fluisterde ik nauwelijks hoorbaar.
Ze nam me bij de arm. ’Kom, laten we gaan, het is al laat.’







