
Bron: Photo by hotblack at Morguefile.com
Ik blijf het stom vinden, die sportschool. Het is dat (ik) het (van mezelf) moet, maar anders liet ik die aardse plek links liggen. Extreem links, zelfs. En tóch sleep ik me er een paar keer per week maand naartoe. Maar vandaag kan ik vol trots verkondigen dat ik het gisterochtend weer eens gedaan heb. En áls ik er dan ben, is het eigenlijk best interessant. Niet omdat ik het sporten zo geweldig vind, maar vanwege de mensen. Het zijn namelijk altijd dezelfden die er rondhangen.
Als nieuwerwetse eenmansprotagonist – oftewel, bewust single gebleven heerschap – praat ik daar met zo goed als niemand. Ik observeer. En zo langzaamaan ben ik een ster in de typificatie van aanwezige sporters (m/v). Dat is mijn vertier als ik op de kniebuiger of de rugstrekker zit. Op het televisiescherm hoef ik immers niet te kijken; altijd dezelfde clips/muziek, met tussendoor reclame voor de sportschool zelf. Waarom in vredesnaam? Al die mensen die daar zwoegen, hebben toch al een abonnement?
Enfin. Back to business. Want ik moet de studieresultaten van mijn sportschoolobservaties wel even publiceren.
Allereerst zijn daar de typische sportschoolmannen (de vrouwen doe ik volgende week, anders wordt dit epistel te lang en dan wordt het door nóg minder mensen gelezen, wat eigenlijk niet mogelijk is). Ik start maar eens met – hoe kan het anders – de Testosteronbommen. 50- en 60-plus-patsers en ex-uitsmijters die 100% zeker zijn volgepompt met anabole steroïden. Het enige wat ze doen, is naar ‘de vrouwtjes’ koekeloeren, minstens drie uur lang.
De Testosteronbommen zijn het tegenovergestelde van de Gym Professionals, die exact weten wat ze doen, lak hebben aan iedereen en aan de spiegel, en geheel gefocust zijn op hun trainingsprogramma. Tussen de oefeningen door lopen ze tergend langzaam hun rondjes. Eventueel aanwezige vrouwen zijn hen geheel om het even. Hoe is het mógelijk…
Dan heb je de Badslipperaars. Die zitten stoïcijns op een hometrainer te pedaleren, badslippers en liefst witte sokken aan de voeten. Drie kwartier lang maken ze voetrondjes in slowmotion, om vervolgens, handdoek om de nek, weer naar de kleedkamer te sloffen. Hun laatste gedachte als ze naar buiten wandelen: ik heb het toch maar mooi weer gedaan vandaag.
Het tegendeel van de honkvaste badslipperhelden zijn de Springers. Die doen steevast twee apparaten tegelijk; eerst het ene afraffelen, rondje wandelen, dan het andere. Op het ene ligt hun handdoek, op het andere de mobiel en drinkfles. En waag het niet om tussen de Sringer en zijn twee apparaten te komen.
Dan zijn er de Spillebeentjes, die enkel hun torso en armen trainen. Toch wandelen ze ongegeneerd heen en weer met hele dunne, ongetrainde beentjes.
Degenen die daarentegen alles (en meer) trainen, zijn de Bodybuilder-wannabe’s. Die gaan na elke set voor de spiegel staan om te checken hoeveel de zojuist getrainde spier gegroeid is. Dit zijn ook de grootste steun- en kreuners: ongelooflijk wat voor geluid eruit komt bij de minste of geringste pompbeweging. Waarom doen de dames dat nou nooit? O, en ze zweten. En lekken. Ja, deze lui moet je mijden.
En als laatste mannensoort heb je nog de Stinkers, met twee ondercategorieën: degenen die elke dag opnieuw dezelfde bezwete tanktop aantrekken en kennelijk allergisch zijn voor deodorant. Als je daarnaast zit, val je spontaan van je apparaat.
En dan zijn er de oversprayers: als die voorbijlopen, val je eveneens van je apparaat, bedwelmd door de enorme aftershave wolk.
Tot zover de mannen. Die probeer ik sowieso zoveel mogelijk te ontwijken; ik heb het niet zo op mede-mannen. Vrouwen zijn voor mij vanzelfsprekend vele malen interessanter. Maar die doe ik, zoals gezegd, volgende week. Even wachten dus. Net als voor zo’n apparaat met een Springer erop.
— geen zorgen; wordt vervolgd —



