Het is maandagochtend negen uur als ik in een joggingbroek het ziekenhuis binnen loop. Het weekend vloeit nog na in mijn aderen, mijn hoofd vol feestelijke taferelen die zich de afgelopen 72 uur hebben afgespeeld. Het contrast met mijn bezoek kan dan ook niet groter zijn.
Ik ben hier voor ‘de knip’. De tjakka, de chop-chop, de sinistere knipbeweging met de vingers in de richting van ‘s mans kruis. Een ingreep die jaarlijks zo’n 25.000 mannen in ons land ondergaan. Kort maar krachtig en een eitje op medisch gebied, maar wel een die een zekere deur sluit en het leven in een nieuwe richting duwt.
Laten we het vooral niet te zwaar maken. Er hoeft ook geen taboe op te rusten. De ene keer laat je een kies trekken, de keer daarop krast een tattooboer nieuwe inkt in je huid en een andere keer snijdt er iemand met een scalpel in je scrotum. En al doe je dat laatste maximaal maar één keer, het leven gaat verder.
Een vasectomietje (vasectomie; (<Lat.), v., (geneesk.) operatie waarbij de uitlozingsbuis van de zaadbal (vas deferens) wordt weggenomen) is zo gepiept. Een kleine bijdrage aan je relatie, een die een streep zet door verder nageslacht en die het liefdesleven een zorgeloze stimulans geeft. Geen gehannes meer met voorbehoedsmiddelen of ‘voor het zingen de kerk uit’. De vrouw ontdaan van spiraal of los van de pil, vrij van onnodige hormonenremmers. Redenen te over die voor elke man weer verschillen.
Je moet het er alleen niet vooraf met iemand over hebben, die het al is ondergaan. Het vooruitzicht van een vertraagde dubbele trap in de ballen is tenslotte niet iets om reikhalzend naar uit te kijken. En zoals een gast die ik een poos geleden op een feestje sprak zei: “…en dan moeten ze de andere bal ook nog doen HAHAHA!”. Gedetailleerde omschrijvingen van wat je te wachten staat en hoe de ingreep plaatsvindt, moedigen nou niet bepaald toe – al is het klein bier vergeleken met een bevalling, denk ik dan maar.
Ik wandel de behandelruimte in waar ik begroet word door een arts, een assistente en iemand in opleiding. Drie vriendelijke dames die zich gezamenlijk over de ingreep gaan ontfermen. “Kleed je maar uit en ga maar vast liggen,” lacht de assistent me toe. “T-shirt mag je aanhouden hoor!” In mijn halfnakie klim ik op de behandelingstafel. “De ‘helikopter’ zal ik nu maar laten voor wat het is”, denk ik nog met een snufje galgenhumor.
De arts houdt haar handen ter hoogte van haar schouders omhoog. Ze legt kort uit wat ze gaan doen: verdoving aan beide kanten, incisie, zaadleider eruit, doorsnijden, knoopje erin, dichtnaaien en klaar is Clara. Of zoiets, begreep ik.
Tijdens de operatie hield de arts ter afleiding de smalltalk op gang. En eerlijk gezegd, het viel ook wel mee. Behalve het stuk van zaadleider d’r uit vissen. Echt, alsof er een grote zachte bokshandschoen je gemoedelijk in de zak stompt, maar dan een paar tellen lang. En dat is dan pas aan één kant. Ik geloof dat ik midden in een zin over een hobbyproject zat en er een welgemeen “AAARGGHHH KAK!!” tussendoor gooide.
Toegegeven: ik stond letterlijk binnen een kwartier weer buiten. Met in mijn boxershort dikke wattige matrasjes op links en rechts tegen de balzak aan gedrukt. Ik had verwacht als een gevallen oorlogsstrijder de ruimte uit te worden geleid, lamlendig in een rolstoel, het leven bungelend aan een zijden draadje. Vrouwen die bloemen naar me zouden werpen, zingende kinderen, een oude blinde veteraan die met kromme vingers een medaille bij me op spelt. Maar nee, ik kon gewoon lopen. Al zag het er voor voorbijgangers ongetwijfeld uit alsof ik een natte scheet had gelaten en zo onopvallend mogelijk naar huis moest om te verschonen. En was dat alles? Ja, dat was alles.
A small step for this man, a giant leap voor de rest van het leven.




