Een week of vier geleden hield ik het schrijven maar even voor gezien. Dat was onder andere om bij Mona, mijn lieve, oude flirtbuurvrouw, te kunnen zijn. Binnen niet al te lange tijd was zij van een vief, fenomenaal mens veranderd in een ziekelijk vegeterend en contemplerend pluisje onder een zelf gehaakte deken op de bank. Alvleesklierkanker. Niet meer behandelbaar. Veel pijn. En dus ook veel morfine.
Mona had geen zin meer om nog te vechten. Veel liever wilde ze een liefdevol en genadig einde dat niet al te lang op zich zou laten wachten. Die genade kon ik haar niet geven, de liefde wel. Mona had zelf geen kinderen, wel een hele hoop vrienden en kennissen. Sommigen daarvan lieten zich, nadat ze van Mona’s toestand hoorden, in het niemandsland tussen kerst en nieuwjaar zelfs nog even blikken. Ook de thuiszorg kwam zeer regelmatig; een gouden vrouw van achterin de dertig met ogen vol mededogen en een meer dan aangename twinkeling in haar stem. Laten we het zo zeggen: ik hoop dat ik haar nog vaker ga zien.
Die laatste week van het jaar waren we grotendeels bij Mona; Nick en Simone, allebei zelf ook gek op hun buurvrouwtje en pseudo-oma, hielpen mij en haar waar ze maar konden. Thee zetten voor de afscheidsbezoekers. Kaakjes, nootjes en neutjes halen bij de buurtsuper. Bij haar zitten en haar verhalen over vroeger aanhoren, waarbij ze steevast begon met: “Weten jullie nog, toen…” Natuurlijk wisten we nog niets, maar we luisterden graag naar alles van toen. Zelfs als het de vierde keer was. Of de vijfde.
De meeste verhalen beëindigde Mona steeds weer met haar favoriete analogie: “Weet je, het leven is als de zomervakantie. Aan het begin denk je, dit is eeuwigdurend. Het houdt nooit op. Ik heb zeeën van tijd. Op de helft denk je: gossie, dat gaat toch best snel, ben ik echt al op de helft? En aan het einde denk je: “‘t Is niet waar, nu alweer voorbij? De tijd is voorbij gevlogen en wat heb ik nu eigenlijk al die tijd gedaan… Want zo is het toch, nietwaar, kinders?” Die kinders, dat waren wij drie.
We kookten samen voor haar. Meestal kippensoep. Of groentesoep met balletjes. Dat wilde ze nog zó graag. Maar eten deed ze niet meer. Enkel ruiken. Zolang ze nog kon, de geur opsnuiven van al die gebundelde vertrouwdheid in een pan. Op oudjaarsdag zette ik Mona in de rolstoel en bracht haar naar mijn huis. Eerst stribbelde ze een beetje tegen, omdat ze niet tot last wilde zijn in een vreemd huis. Maar uiteindelijk wisten we de vijftig meters met bravoure te overbruggen en had ze er nog lol in ook.
We keken samen de film Last Love, met haar grote idool, wijlen Michael Caine. Ze plengde een traantje om de vele herinneringen die de film opriep. En ze nam zowaar een hapje oliebol, murmelend dat ze nog nooit zoiets lekkers had gegeten. ‘s Nachts brachten we haar weer terug, fijn naar haar eigen bank en deken.
En nu is dat alles verleden tijd. Mona rolde nog net het nieuwe jaar in. Machtig moegestreden, maar zeer tevreden. Een week geleden vloog het laatste leven uit haar weg. Ik had de eer om daarbij haar hand vast te mogen houden. Haar uitvaart was enkele dagen geleden.
In de afgelopen paar jaar was Mona me zeer dierbaar geworden en daarom ben ik dankbaar dat ik die laatste weken van haar rijke leven nog heb kunnen veraangenamen. Mona zei het zelf al vaker: de dood is de grenssteen van het leven, maar niet van de liefde. En ik geloof niet in veel dingen, maar dáár geloof ik heilig in.




Goed bezig geweest, Denis. We maken ons de hele dag druk om onbelangrijke dingen. Wat jij hebt gaan is wel belangrijk. Top!
Gecondoleerd, veel sterkte gewenst
Wat fijn dat jullie die laatste weken zo hebben mogen beleven.
Heel veel sterkte met het verwerken van dit verlies.