Ik heb een tijdje saxofoon gespeeld. Niet erg lang, misschien een half jaar, toen had ik het wel weer gezien. Zulke dingen zijn bij mij doorgaans geen bijster lang leven beschoren. Zo heb ik afgelopen zomer bijvoorbeeld een salsacursus gedaan. De vrolijke Latijns-Amerikaanse ritmes waarop ik zo nu en dan in het lokale clublandschap word vergast, hadden mij daartoe verleid. Het bleek een regelrechte ramp. Ik ben geen geboren danser en zal er ook nooit een worden. Wanneer de betovering van de ene bevlieging is uitgewerkt, dient de volgende zich gewoonlijk alweer aan.
Toen mijn saxofoonfase voorbij was, lag het instrument op zolder te verstoffen, iets wat ik doodzonde vond: er is mijns inziens weinig dat een treurigere aanblik geeft dan een werkeloos muziekinstrument. Daarop besloot ik een advertentie op het net plaatsen, en ik bleek warempel geluk te hebben: Reeds na vijf dagen ontving ik een bod dat mij alleszins acceptabel leek.
Het bleek te gaan om een jazzliefhebber uit het Belgische Gent. Daar de weersverwachting een aangenaam voorjaarsweekeinde beloofde, besloot ik de koper mijn muziekinstrument persoonlijk langs te gaan brengen. Met grote regelmaat schep ik er genoegen in om op een vrije dag richting Vlaanderen te toeren: dat idyllische stukje aarde waar de pralinen het romigst zijn, de frieten het dikst en de meisjes het minzaamst.
Na enkele uurtjes glijden over schilderachtige binnenwegen van de Lage Landen ‒ ik ging voor de toeristische route ‒ arriveerde ik bij het opgegeven adres, dat zich in een ietwat verwaarloosde buurt ten noordwesten van het centrum van Gent bevond. Ik belde aan maar er deed niemand open, waarop ik nogmaals aanbelde, dit keer iets langer. Er verscheen een sjofel geklede man die zich voorstelde met ‘Sjefke’. Hij rook naar wiet en alcohol.
In zijn appartement op de tweede verdieping was de wietlucht eveneens alomtegenwoordig. Laten we de zaak zo snel mogelijk afhandelen, Sjef, zodat ik nog een drankje kan doen in het centrum, flitste er door mijn hoofd. Ik overhandigde de man het sensueel gevormde instrument ‒ een saxofoon mag men gevoeglijk beschouwen als het meest zinnelijke muziekinstrument dat er bestaat ‒ waarop hij het kort monsterde en het vervolgens aan zijn lippen zette en begon te spelen.
Dat wat ik toen te horen kreeg zal ik de rest van mijn leven niet vergeten. Woorden schieten tekort om uit te drukken wat er door mij heen ging bij het aanhoren van de magische melodie die deze Gentse Sjefke als een zwarte magiër aan het instrument wist te ontlokken. Ik was met stomheid geslagen.
Deze man was beter dan Parker of Coltrane, iets wat hij waarschijnlijk zelf niet in het minst besefte! In zijn voddige kloffie, een walm van wiet en alcohol om hem heen, leefde hij zijn werkloze bestaan in deze achterbuurt van Gent, terwijl hij hoorde te schitteren op de grootste podia van de wereld! Ik kon er met mijn hoofd niet bij.
Nadat hij klaar was met zijn performance vroeg ik hem of hij een cd had met opnamen van hem, die ik wellicht kon overnemen. Hij overhandigde mij een gebrand exemplaar, op de hoes stonden in een haast onleesbare hanenpoot enkele titels geschreven.
’s Avonds in mijn kleine, trouwe autootje op de weg terug naar het noorden ‒ een zonsondergang kuste reeds de aarde ‒ leek het of de kasseiwegen van Vlaanderen nooit mooier, melancholischer waren geweest. Elk vergezicht met de dikke, knoestige knotwilgen ‒ de cipressen van het Vlaamse land ‒ ging gepaard met een muzikale rijkheid die ik voordien nooit voor mogelijk had gehouden.
Als hij zich maar niet dooddrinkt, schoot er door me heen.







