Nadat ik mentaal compleet door de grond gezakt was na mijn – in mijn en andermans/-vrouws ogen – finaal mislukte bericht op Jonna’s voicemail, liet ik alle verdere hoop op een vervolg ook maar varen.
Opgeven, ogen dicht, doorgaan. Ik moet ook gewoon níét bellen! Enkel en alleen appen. Geschreven woorden. Dan kan ik veel beter (en langer) nadenken over wat ik wil zeggen. En berichten 38 keer lezen eer ik ze verstuur.
Maar: de volgende dag keerde al mijn vervlogen hoop plotsklaps weerom. Mijn telefoon ging. Het was zij! De vrouwe van mijn begeerte!
“Hoi Jonna!” perste ik er zo nonchalant mogelijk uit.
“Wat nou níét uitzwaaien?!” riep ze meteen. “Wat is dát nou weer? Waarom zouden wij elkaar niet uitzwaaien? Als je iemand niet eens wilt uitzwaaien, dan is dat in feite toch hetzelfde als ‘ doei en totnooitweerziens’?”
“Nee, nee, zo… zo bedoelde ik het niet,” stamelde ik. “Ik bedoelde dat ik je het liefst gewoon altijd bij me zou hebben, zodat ik je helemaal niet meer uit hoef te zwaaien.”
“Aha. Oké, dan is het goed. En ik ben toevallig gek op haring. Hoe laat? En waar?”
Ik beschrijf haar ‘s Neerlands beste haringkar en waar die staat. “En niet voor half 11, want dan is de haringtent nog niet open. Zeggen we een uur of één?”
“Yes! Helemaal goed. Tot dan!” En weg was ze alweer.
Die zaterdag loop ik met bonkend hart naar de boulevard. Bij de haringkar zie ik haar niet. Zou ik nu echt een keer de eerste zijn? Tot mijn opluchting is het ook best heel aardig weer. In ieder geval niet de voorspelde regendroefenis. Ik tuur wat in de verte.
“Há! Dáárrrr ben je!” Tegelijkertijd worden mijn beider flanken wederom door haar prikkende vingers bewerkt. Gelukkig heeft ze aangenaam kortgeknipte verpleegstersnagels.
Ik maak een sprongetje, draai me fluks om en kijk in haar jolige ogen. Ze grijnst. Ik hou ervan. Maar dat geprik moet ik haar toch een keer afleren. Ik schrik me elke keer de blubber.
“Waar was je dan? Ik zag jou niet,” roep ik verbouwereerd.
“Ik had me verstopt. Achter de haringtent,” verklaart Jonna doodernstig. Alsof dat de normaalste gang van zaken is bij dates. “Anyway, kom maar door met die haring! Ik heb honger.”
We verorberen elk twee broodjes haring. Met uitjes. Geen maatjes, helaas, want daarvoor is het nog te vroeg. Dan nog twee visjes uit de vuist als toetje. Zij voert mij en ik haar. Haringhappen kan best romantisch zijn.
“Nu stinken we allebei, dus nu kunnen we wel zoenen.”
De stelligheid waarmee ze dat zegt, klinkt als muziek in mijn oren.
“Oké. Hier?” is alles wat ik weet uit te brengen.
“Nee, daar.” Ze wijst naar de duinen. “Hop, wandelen jij!”
Ik wandel.
En zij pakt mijn hand.
Dit is het. Hét!
Haring is liefde en liefde is haring.
Epiloog
Bij voorbaat mijn excuses, maar ik zal vanaf nu toch wat minder berichten over ‘ons’. Ik heb Jonna (niet haar echte naam, natuurlijk) vrijwel meteen verteld over mijn schrijfactiviteiten en het feit dat ik ook over ‘ons’ vertel. Eerlijkheid voor alles; ik moet er niet aan denken dat ze er zelf later per toeval achter komt. Op zich vindt ze het wel grappig en het tot nu toe geschrevene ook wel acceptabel (“Dat gaat toch alleen maar over jouw idiote onzekerheden en zo…”), maar de intiemere zaken houd ik om privacy-redenen vanaf heden toch maar even voor mij. Tot zij het uitmaakt, vanzelfsprekend. Dan vertel ik alles alsnog in geuren en kleuren. Dus als ze dat niet wil, moet ze maar gewoon tot in den eeuwigheid bij mij blijven. (grapje)



