Officieel overleed mijn broer op 7 januari jongstleden. Hij mocht 47 jaar worden.
Mijn broer had niets geregeld. Waarom ook? Hij was vrijgezel en pas 47. Ongezond was hij, maar het was niet de bedoeling dat hij zo jong dood zou gaan. Wij – als nabestaanden – moesten daarom de juridische mallemolen in. Om bijvoorbeeld toegang tot zijn rekeningen te krijgen, moet je naar een notaris en je hebt vrij veel contact met de bank. Dat duurt wel even voordat alles eenmaal geregeld is. In ons geval twee maanden.
Die maanden zat ik lekker in de regelstand. Mijn andere broer en ik wilden onze ouders niet met alle rompslomp belasten en daarom waren wij degenen die de crematie regelden. We hebben het appartement leeggeruimd, de abonnementen opgezegd en hadden contact met de notaris en de bank. Fijn was dat. Want zo lang ik mezelf met dat soort dingen kon bezighouden, was mijn broer nog niet echt dood.
Mijn vrouw maakte zich intussen ontzettend veel zorgen. Ik had mijn broer verloren, maar gunde mezelf geen ruimte om te rouwen. Ze zag hoe mijn muur per dag een meter hoger gemetseld werd en ik dook steeds dichter in de donkere schaduw. Niet voelen. Vooral niet voelen.
Natuurlijk had ik dat donders goed in de gaten. Ik ben niet onbekend met diepe depressies. Daarom regelde ik vrij snel na zijn overlijden gesprekken met de praktijkondersteuner van de huisarts.
Ondertussen fietste ik elke dag op de electrische fiets van mijn broer naar mijn werk. En ik keek met grote regelmaat op het digitale klokje dat ooit aan zijn pols plakte. De hele dag voelde ik daarom mijn broer. Bij elke trap zag ik hem fietsen. Elke keer als ik naar de tijd keek, schoot zijn naam door mijn hoofd. Telkens de rijke pijn van rouw.
Maar ik stond op standje overleven en weigerde om het verdriet over mijn broer toe te laten.
De fiets kreeg mankementen. Ik kon maar één fietsenmaker vinden die dat specifieke merk maken wilde, maar die man zat vrij ver weg. En tegelijkertijd kreeg ik de rekening van de fietsverzekering voor mijn kiezen. Mijn broer was zeer goed verzekerd. Logisch, want het ding bleek nogal duur te zijn geweest. Maar ik kan het mij niet veroorloven, zo’n hoog maandelijks bedrag.
De fiets moest weg.
De knauw die ik daarvan kreeg, voelde als een stomp in mijn maag. Ik had iets tastbaars en ik kon het niet houden. Maar ik negeerde die pijn.

Afbeelding van fancycrave1 via Pixabay
Het horloge moest ik minstens eens per week opladen. Met een klein stom zwart kabeltje.
Op de dag dat ik besloot om de fiets weg te doen, moest ik ook het horloge opladen. Ik wilde het kabeltje uit de kast pakken, maar het lag niet in de lade waar het hoort te liggen. In lichte paniek keek ik in de andere lades, maar vond geen kabel.
Snel keek ik in de bak met electrische draden. Geen klein stom zwart kabeltje. Mijn vrouw hielp mee met zoeken, maar ik mopperde dat het goed was zo. Dan maar geen horloge van mijn dode broer om mijn pols.
Een kwartier later ging ik plotsklaps maniakaal naar het kabeltje zoeken. Ik scheen met mijn mobiel onder de boekenkast, ik haalde de dekenkist van zijn plek, ik staarde wanhopig in de zak van de stofzuiger. Ik zat op de grond, greep elke kabel die ik vinden kon. Maar geeneen paste op het horloge. Dat horloge had nog maar 7% aan energie en ik wist het ineens heel zeker; als ik de kabel niet vinden kon, zou mijn broer samen met het horloge definitief op zwart gaan.
Stil. Dood.
Maar dan echt.
Ik begon te huilen. Heel zacht, maar al gauw totaal oncontroleerbaar.
Totdat mijn vrouw mij kwam troosten. Toen stopte ik. Waarom, dat weet ik niet. Daar mag de psycholoog zich over buigen.
Pas op het moment dat ze naar bed ging, kwamen de tranen weer. En huilend keek ik naar een film die helemaal niet zielig was.
Een dode broer is kut.







Alsnog sterkte.
Vooral niet voelen…
Mooi geschreven Gabriël ❤️