
Afbeelding van rebbeccadevitt0 via Pixabay
Deze week zette ik een puisterige puber op zijn plek.
Ik reed rustig naar huis. Aansluiten achter de file en verstand op nul. Mijn raampje stond open, want het was een warme dag. Iets wat in Nederland steeds minder voorkomt. In mijn ooghoek zag ik iets vreemds gebeuren, en mijn aandacht was getrokken.
Een jonge man schopte stelselmatig tegen de bagagedrager van een meisje. De fiets van die dame bewoog vervaarlijk. Direct was ik alert, want mijn dochter heeft ook met regelmaat te maken met zo’n stuk wanstaltig sujet. Maar – en dat kan best – misschien was dit een soortement van een amateuristische paringsdans tussen de puber en het meisje. Daarom ben ik eerst de gezichtsuitdrukking van de dame gaan checken. Deze stond echter op standje paniek en ik realiseerde mij dat deze jongen het meisje aan het pesten was.
Ik raakte geïrriteerd.
Ik draaide mijn passagiersraampje open en riep naar het meisje: “Ben je oké?” Ze was denk ik ongeveer dertien jaar. Toen ze mij hoorde praten, keek ze verschrikt mijn kant op. Net zoals de jongen die haar lastig viel. Hij keek achterom, naar zijn vriend, en remde af. Het meisje op haar beurt zette een sprintje in, richting haar vriendinnen die wanhopig zo’n vijftig meter voor haar fietsten.
Opgelost. Zou je denken. Het meisje was van haar nemesis bevrijd en de puber durfde niets meer te doen. Maar het testosteron raasde door het slungelige lijf van de puber en dat resulteerde in prachtige handgebaren en een scheldkanonnade richting ondergetekende.
Ik werd boos.
Een aantal rotondes verder was ik nog steeds kwaad. Pardoes schoot ik een zijweggetje in en parkeerde mijn verrotte stuk staal. Ik stapte uit en liep richting het fietspad. Daar schoot de groep jonge meisjes knoerhard aan mij voorbij. In de verte zag ik het dunne stukje acné en zijn maatje aankomen.
Vlak voordat zij voorbij zouden rijden, liep ik het fietspad op en hield de scheldende schavuit aan. Geschrokken kneep hij zijn handrem in, bijna viel hij voorover van zijn fiets.
“Ha kerel,” begon ik, “ik zat net in die auto daar en het viel mij op dat je richting mij aan het schelden was Je stak je middelvinger op. Vertel, wat is daar de reden van?” Ik vroeg het met een zeer rustige stem, maar mijn ogen stonden net zo fel als die van Satan als hij een puik potje poolen van God aan het verliezen is.
“Nou, gewoon,” stotterde de puber.
“Zou het misschien te maken hebben met het feit dat ik ervoor heb gezorgd dat je dat meisje niet meer kon pesten?”
De jongen zweeg.
“Wat vind je daar nu zelf van?“
Maar de jongen kon geen antwoord geven en ik wilde hem niet nog banger maken.
“Let de volgende keer een beetje op met wat je doet, jongen. Doorgaans versier je geen meisjes door ze doodsbang te maken.“
En met deze wijze woorden stapte ik terug mijn auto in en sloot aan achter de file. Twee pubers fietsen – als waren ze twee vluchtende meisjes – mij heel snel voorbij.






