
Bron: Photo by hotblack at Morguefile.com
Sinds een paar weken is het bal in de straat. Voor het – leegstaande – huis van mijn hemelse buurvrouw Mona staat een bankje. En op, naast, voor en achter dat bankje hangt een trosje jongeren. Jolige jongeren. Ze joelen, jeremiëren, jengelen, en juichen erop los. Vooral als er iets van voetbal heeft plaatsgevonden.
Op zich maakt het me niet zoveel uit of daar een paar opgeschoten lui wat staan te kletsen. Maar zodra Simone zich ongemakkelijk gaat voelen als ze ‘s avonds nog even naar een vriendin wandelt, Jonna zich nagekeken voelt als ze in haar auto stapt en ik niet slapen kan omdat ze om één uur ‘s ochtends nog wat vuurwerk denken te moeten afsteken, word ik pissig.
Ook de buren hebben het ‘probleem’ inmiddels opgemerkt.
“En? Wat gaan we hieraan doen?” vraagt buur(man) 1 geheel open-minded.
“Hoezo, we?” schampert buur(man) 2.
“Nou, de pliesie doet sowieso niks, dus wij zullen zelf een oplossing moeten zoeken,” vindt buur(vrouw) 3.
“Ik denk dat ‘we’ zelf maar eens met die knulletjes moeten gaan praten,” draag ik bij.
“Nou, lekker… Jij liever dan ik. En hoe weet je dat het enkel jongens zijn?”
“Volgens mij zijn het Marokkanen. En Marokkaanse meisjes mogen van hun ouders doorgaans niet ‘s avonds ergens rondhangen.”
“Aha, een Marokkanenkenner! Hoe dan ook, IK ga daar echt niet op af. Ik houd nog teveel van mijn leven,” bromt buurman 1. De rest humt instemmend. Ik snap het al. Ik ben de pineut.
Dinsdagavond, een uur of elf. Ze staan er weer. Te lallen. Moskeemuziek uit een ghettoblaster. Ik trek mijn bomberjack aan (ietwat bredere schouders) en stap erop af. Aangezien ik geen zenuwen heb, zelfs niet van staal, ben ik de kalmte zelve. Dat helpt. Veel.
“Hé, jongens,” groet ik.
“Ben geen jongen,” krijg ik meteen terug, klaarblijkelijk een meisje dat er toch echt als een jongen uitziet.
“Wat ben je dan?” waag ik te vragen. “Als in: hoe moet ik jou aanspreken?”
“Jij moet mij helemáál niet aanspreken, zemmel!”
Zemmel. Dat woord moet ik onthouden. Geen idee wat het betekent, maar het zal vast niet aardig zijn.
“Hoe dan ook, de buurt heeft last van jullie. En ik helemaal. Vooral als jullie zo’n hoop lawaai maken. Kunnen jullie niet ergens anders gaan staan? Ergens op een kinderspeelplaats of zo?”
“Ga zelf weg, yo. Challa! Wij mogen hier gewoon staan.”
“Staan wel. Keten niet. Maar als jullie hier mogen staan, dan mag ik dat dus ook.”
En zo blijf ik er op mijn nonchalantst bijstaan. Mijn hart klopt nu toch wel een klein beetje in mijn keel. Wat als ze me aanpakken en over het muurtje smijten? Of me gezamenlijk en eensgezind op mijn kop timmeren? Nou ja, dat zie ik dan vanzelf wel. In ieder geval komt de politie dan wél en hebben zij een probleem.
“Wa ga je nou doen, man?” vraagt eentje. Hij kijkt me wat onzeker aan.
“Niks. Hier staan. Rondhangen met jullie. Luisteren. Heb altijd al Marokkaans willen leren. Wollah!”
Ze mompelen en grommen wat in hun moerstaal. Beginnen te fluisteren. Handen diep in de broekzakken, verholen blikken in mijn richting. Ze vinden de situatie duidelijk erg ongemakkelijk. Dat is goed, want in mijn voordeel.
“Zeg, dat ‘zemmel’, wat betekent dat? Het zou mijn eerste woordje Marokkaans zijn, dus ik ben wel benieuwd.”
Geen antwoord.
“Homo,” zegt er een.
“Ik ben geen homo, ik heb gewoon een vriendin. En die heeft toevallig óók last van jullie. En al zou ik een homo zijn, dan nog heb je je te gedragen.”
“Nee man, dat betekent zemmel, idioo…”
Hij (of hen?) wordt aangetikt door een maat. Ze maken aanstalten om weg te gaan. Zou het echt? Warempel, ze stappen op hun scooters.
Ze kijken mij een gevoelde eeuwigheid van een seconde of vijf lang vuil aan. Dan krijg ik een stuk of wat middelvingers van de achteroprijders, terwijl ze met knetterende uitlaten de straat uitscheuren. Wordt tijd dat die lui e-scooters krijgen.
Enfin. Eens kijken of ze er morgen weer staan. Zo ja, kan ik mooi mijn cursus Marokkaans vervolgen. Ik verheug me nu al.



