Op een dag die zich zou ontpoppen als een uitstekende dag, wat zeg ik, een fabuléuze dag, maakte ik een ommetje door de hoofdstad des lands. Ik had juist een zakelijk gesprek achter de rug ‒ nou ja, ‘zakelijk’, ik had m’n jongste romanproject gepitcht bij een tante van een vooraanstaande uitgeverij, meer spielereiproject dan iets zakelijks, als je ’t mij vraagt, ik ben alles behálve zakelijk en wil dat graag zo houden ‒ en besloot alvorens op de trein terug naar Elysische Brabantse contreien te stappen, nog even te genieten van de in stemmig voorjaarsgroen gehulde stad.
Nadat ik een kwartiertje doelloos door de stad had gestruind zag ik haar zitten: op het terras van een café ietwat bezijden de grachtengordel. Ze was verdiept in een boek, een roman, zo schatte ik in aan de hand van het omslag. Iets in mij zei me dat ik halt moest houden.
Ze droeg een zwarte pantalon met de perfecte snit, waarbij ze haar benen over elkaar had geslagen. Haar voeten waren in zwarte, suède pumps geschoven. De kleur rood van haar truitje was in eendracht met het rood van haar nagels, dat het midden hield tussen scharlaken en robijn. Een dozijn tinten zachtbruin haar golfde mijn blikveld binnen. Ze rook naar kersenbloesems en montere meidagen vol hoop en onbevangenheid.
Op het moment dat ze haar ogen opsloeg verscheen het gelaat van een vrouw die ooit in een onnoemelijke bui van onbaatzuchtigheid door Onze-Lieve-Heer uit ’t marmer der eeuwigheid was gehouwen. Twee bruine ogen keken mij aan boven een fiere neus en enigszins bolle wangen, die iets aanminnigs hadden. Het waren de mooiste ogen die ik ooit had gezien. Onverschrokken leeuwinnenogen, die door het vuur gaan voor hun welp. Ogen waarin ik de perfecte synthese las tussen IQ en EQ, als je zoiets al kunt zien in één oogopslag, maar ik durf na die dag wel te beweren dat ik dat kan.
Mij bekroop het gevoel dat ik getuige was van de mooiste dame die ooit mijn leven was binnengetreden; die ooit mijn leventje had gescheerd, is misschien accurater gesteld. Een vermetel gevoel, ik weet ‘t, pathetisch wellicht zelfs. Ongetwijfeld zou ook zij haar momentjes van onzekerheid hebben, haar ‘make-uploze zondagochtendgezicht’, de dagdagelijkse sores en beslommeringen, kleine kwaaltjes en onvolkomenheden, die een vrouw pas echt tot vrouw maken.
Toch had ik het gevoel dat dit de mooiste vrouw was waarop mijn ogen ooit hadden mogen rusten. Een enkel leeftijdsrimpeltje gaf te kennen dat zij geen dertig meer was, maar dat gaf niet, het voegde alleen maar meer dimensies toe aan de zegening voor het oog die ik gewaarwerd. Op het moment dat mijn perplexiteit goed en wel bij haar was binnengesijpeld, toverde ze de mooiste lach tevoorschijn, speciaal voor mij.
Ik was met stomheid geslagen. Wat moest ik doen? Haar aanspreken? En dan? Een of andere stupide openingszin als een plumpudding voor haar neus uiteen laten spatten? Zo’n klassedame had allang een geschikte vent, al zat ze hier dan alleen met haar roman en haar cappuccino, als een eiland van bevalligheid. En zo niet, dan kon ze er aan iedere pink minimaal tien krijgen, als dromerig schrijvertje mocht ik ongetwijfeld achter in de rij aansluiten.
Ik wierp een laatste blik op haar en zei haar gedag middels een verlegen glimlach die ik liet vergezellen van een minuscule hoofdknik. Wéér die onweerstaanbare lach. Toen ik om de hoek verdwenen was, bekroop mij het gevoel dat ik zojuist een levend schilderij had mogen aanschouwen; een dat niet één penseelstreek meer of minder benodigde.
Op het moment dat ik mijn weg vervolgde, verscheen tussen het voorjaarslommer een zonnestraal van een dermate overweldigende intensiteit, dat een onbewimpeld geluksgevoel mij doorvoer.







