
Bron: Photo by hotblack at Morguefile.com
Daar ben ik weer. Maar eigenlijk ben ik er nog helemaal niet. Of in ieder geval niet helemaal. Ik ben nog niet gearriveerd in het normale leven. Het leven van schrijven. Vakantie, het moest verboden worden. Het is een concept dat je elke keer weer volledig uit de baan werpt. Na zo’n halve eeuwigheid te zijn weggeweest, lijkt het godsonmogelijk om weer terug in je vertrouwde orbit te geraken. Om weer te schrijven, want wat heb ik in al die tijd in godsnaam uitgevreten?
Onder andere gekampeerd. Met Jonna. We zijn met z’n tweeën weggeweest en het was voor de verandering eens leuk, harmonieus en ontspannend. Kamperen in het noorden van Frankrijk. Niet al te ver rijden. Beetje grillen, krekelconcerten, strand op een paar kilometer afstand. Kortom: retesaai. Niets wat niet half Nederland ook al eerder heeft beleefd. Kinderen allebei vrijwillig in Nederland gebleven; konden ze mooi op de kat en de planten passen.
Maar goed, hoe vertel ik over een vakantie die – grotendeels – heel fijn was, enkel vanwege mijn lieve Jonna, die echter niet wil dat ik over haar vertel? Nou, niet dus. Dus doe ik dat ook niet. Gelukkig kan ik wél vertellen over al die minder positieve vakantieaangelegenheden. Die zijn ‘buut vrij’, want daar komt Jonna niet in voor.
Nu moet je weten dat wij nog in een heuse tent kamperen. Want als, dan ook echt. En ik ben een bagger kampeerder. Ik zou zelfs in een werptentje nog een tentstok kwijtraken. En barbecueën kan ik ook al niet. Maar we hadden inmiddels een grotere, redelijk makkelijk op te zetten bungalowtent weten te scoren. Dus daar stonden we. Op de laatste lege plek, in de volle zon, alwaar we om vijf uur in de ochtend reeds het bed uit brandden. En naast een kabbelend beekje, waardoor ik de hele dag door, maar vooral in alle vroegte, naar de wc moest.
Dat alles was op zich geen probleem, want we waren toch al wakker. Er stond namelijk een zeer luidruchtig homo-stel naast ons, eveneens in een tent huizende. Elke dag vanaf middernacht neukten beide heren er luidruchtig op los, waarschijnlijk ook de reden waarom ze uiterlijk vanaf een uur of vier beiden snurkten als ossen. Ik was enkel blij dat de kinderen niet mee waren om dit schouwspel te aanhoren. En we waren ook niet de enigen die er ‘last’ van hadden, maar iedereen was woke genoeg om er niets van te durven zeggen. Niemand wil tenslotte een – verder heel lief en schattig – homo-stel het gevoel geven dat ze anderen lastigvallen met hun gebruinde liefde. En ach, zoals gezegd, we waren toch al wakker.
En zo dronken we sloten koffie tegen de intredende vermoeidheid, wandelden veel, joegen op de levensgrote mieren en mini-kakkerlakken die elke schemer vol overgave onze tent doorkruisten, sloegen tijgermuggen naar hun grootje en hielden braaf de tent vast op de momenten dat de lucht zich in de vorm van een storm ontdeed van de drukkende hitte. Niets bijzonders. Tot ik op een ochtend slaapdronken waakdronken naar het wc-gebouw hobbelde voor een grote boodschap. Een heel modern toiletgebouw en normaal gesproken ook best schoon. Op z’n Frans dan. Die ochtend deed ik een wc-deur open en stond oog in oog met een geelbruine vlek. Vakkundig tegen de bril aan gescheten, de druppels en spetters hoog tegen de tegels op.
Had daar iemand niet voldoende tijd genomen om – tussen het eerste gevoel van aandrang en de totale verlossing – fatsoenlijk op het toilet plaats te nemen? Ik kon niet anders dan een foto maken (← link naar de foto in de mediabibliotheek, mocht je het plaatje echt willen zien; ik wilde dit schrijfsel er in ieder geval niet mee bezoedelen), om vervolgens snel naar een ander toilet te rennen. En verder wilde ik er ook absoluut niet over nadenken. Ik snelde – nog na kokhalzend – weer naar buiten, in de hoop dat ik ongezien was gebleven. Stel dat iemand zou denken dat ík dat poepplaatje geschilderd had. Zelf verdacht ik een van onze buurmannen, die ergens in de nacht door chronische overbelasting en oprekking plots geen controle meer over zijn sluitspieren had gehad. Maar dat mag ik niet zeggen, natuurlijk.
Enfin, dit was wel een beetje de druppel voor mij. De druppel die de emmer met het etiket ‘kampeervakantie’ deed overlopen. Ik ga het komende jaar heel hard werken en sparen, zodat ik volgend zomer, ik hoop samen met Jonna, in een luxe hotelletje aan een verlaten Grieks strand kan bivakkeren. Met schone wc’s. En zonder burengeneuk, -geschijt en -gesnurk. Schrijf ik wel over meer filosofische zaken. Zoals hoe zomervakanties net als het echte leven zijn. In den beginne denk je: wat een eeuwigheid van tijd ligt er nog voor me, oh hemel(s), dit houdt nooit op! Op de helft denk je: verrek, ben al op de helft, gaat toch best wel snel. En aan het einde denk je: nu alweer voorbij? Wat heb ik al die tijd eigenlijk gedaan?



