
Bron: Photo by hotblack at Morguefile.com
“Jij moet eens een fatsoenlijke auto kopen, lieve.” Dat waagde ik een maand of twee geleden tegen mijn Jonna te zeggen. Ik waagde, ja. Want onze relatie was nog pril, hè. Maar haar koekblik (een Twingo) was zelfs met een goede bestuurster een groot gevaar op de weg. Vond ik. Dus kocht zij, op mijn aandringen, een degelijke(re) wagen. Van een oud heerschap dat de auto enkel in zijn garage had laten staan en er zo goed als nooit mee reed. Een tien jaar oude Honda Civic met alle toeters en bellen, met nog geen tienduizend op de teller én met achteruitrijdpiepertjes. Kon niet misgaan.
Tot vandaag. Op het hoogtepunt van de IK-MOET-NÚ-NAAR-MIJN-WERK!!-stress blijkt de Hond-a geen boe of bah meer te blaffen. Hartstikke dood. Zelfs de deuren willen niet meer open. Niks doet het.
“Ik heb ‘m binnen een paar maand morsdood weten te rijden. Doe mij dát maar eens na,” sneert Jonna. Ik wist niet dat ze dit in zich had. “En nu? Wat nu?” vervolgt ze bits, “we krijgen zo niet eens de motorkap open! Geweldig zeg, zo’n ouwe nieuwe ‘fatsoenlijke’ auto. Ik wil mijn ouwe brik terug.” Ik krimp ineen. Dit is allemaal míjn schuld.
“Ik bel de Wegenwacht wel. Ik ben lid,” piep ik. “Die weten vast wel wat te doen.”
“Ja, hallo… Dat kan úren duren!”
Duurt het niet. Tot ons beider verbazing staat er nog geen tien minuten later een – tot mijn verdriet – goed uitziende monteur van een jaar of dertig op mijn oprit.
“Hoi!” groet de wegenwachter.
“Ook hoi,” groet ik gelaten terug. Hij kijkt naar Jonna, niet naar mij. Geen voorstelrondje, dus ik wil meteen beginnen met het uitleggen van het euvel. Jonna is me voor.
“Ding doet het niet. Portierslot ook niet.” Korter kan een mens het niet zeggen. Ze kijkt hem indringend aan. Zie ik daar een blik van ‘help mij, mijn man is geen autokenner’?
“Ook niet met de noodsleutel? Da’s raar,” antwoordt hij, eveneens redelijk beknopt. “Awel. Dan maar door de kofferbak.”
Qua communicatie passen Jonna en hij klaarblijkelijk ook best goed bij elkaar. En hij ziet er evident beter en jonger uit dan ik. Deze man moet zo snel mogelijk weer weg.
Hij frunnikt de noodsleutel ergens onder het nummerbord in een sleutelgaatje dat ik nog nooit gezien heb, opent moeiteloos de achteringang, gooit de achterbank om en duikt de auto in. Best lenig ook, die man. Van binnenuit opent hij het portier, stapt uit en opent de motorkap.
Getweeën staan wij gefascineerd toe te kijken. Jonna zelfs met onverholen bewondering.
“Accu dood.” Het is inderdaad een man van weinig woorden; meer van de daden, want voor we kunnen knipperen, staat hij al met een mobiele starter en twee kabels in de hand voor de open motorkap. Rood op rood, zwart op de kabel. Ik kijk toe en let op. Voor de volgende keer. Kan ik Jonna tenminste zelf imponeren. Door kofferbak kruipen, moet vast ook wel lukken. Alleen nog startkabels kopen. En zo’n mobiele accubooster, want als de auto in de garage staat, zoals nu, krijg ik er natuurlijk geen andere auto naast.
Enfin. De Honda start en gromt als een malle. Jonna klapt in de handen van blijdschap. “Yes! Toch niet dood! Maar wat nu?”
“Half uurtje rondscheuren, liefst in lagere versnelling waar het kan. Dan naar de garage, accu laten checken.” Alles is alweer ingepakt en de man zit reeds in zijn wagen; op naar de volgende hulpeloze autobezitter. Ik ben blij dat hij zijn werk snel gedaan heeft en nu weer optieft.
“Oké! Doei!” is alles wat ik nog kan zeggen. Door het open raampje salueert hij met twee vingers gedag – zo cool. Moet ik ook eens doen.
“Die was snel… En handig…” Jonna kijkt hem met een haast vererende blik na. “Heb je wel goed opgelet? Dan kun je het de volgende keer tenminste wél zelf.” Hoor ik daar een venijnige ondertoon? Is dit mijn Jonna?
“Ik blijf liever gewoon lid, dan staat ie zo weer op de stoep. Vind jij vast niet erg. En sneller dan dat kan ik het zelf sowieso niet.”
“Oké.”
Is dit alles?
Jonna stapt in. “Nou, ik ga dan maar even een half uurtje scheuren in mijn ‘fatsoenlijke’ auto, hè? Dit was me met mijn ouwe Twingo niet gebeurd.” De ondertoon laat nu aan duidelijkheid niets te wensen over.
Dat die accu al tien jaar dienst gedaan heeft, beseft ze niet. Dat er gewoon een nieuwe in moet, ook niet (benieuwd waar ze de volgende keer stilstaat). Dat de ‘accu van de relatie’ regelmatig gecharged moet worden, blijkbaar ook niet. Maar toegegeven: dat is net zo goed mijn job. Is dit nu onze eerste relatiecrisis? Nee. Vast niet. Slechts een kleine hobbel in de weg. We rijden immers alweer. Nu enkel nog even weer opladen. Kunnen wij.




