Bladeren mogen wat minder vroeg verkleuren en naar beneden dwarrelen dan voor de tijd dat het klimaat in de war raakte, de blues blijft. Ze wordt misschien juist wel versterkt door die manische nazomerdagen die het jongste decennium regelmatig de kop op steken. Vandaag is een gemiddelde ‘ouderwetse’ septemberdag: bewolkt en nu en dan een buitje. Zo’n dag waarop je deprimerende, vuistdikke, negentiende-eeuwse literatuur probeert te vermijden; die probeer je trouwens altijd te vermijden.
Een verregend bos is een draaglijke coulisse om ’n nawenend hart in te laten helen. De vogels die het bevolken zijn kleine, gevleugelde vrienden wier aanwezigheid te dulden is. Sowieso, de natuur is altijd te dulden. Zij is de onschuld zelve, derhalve tolerabel. Mensen die niet van dieren houden moeten zich laten nakijken. Ga nooit een relatie aan met iemand die niet van beesten houdt: het zal je einde betekenen. Hier, in dit bos, voel ik me meer thuis dan ik me sinds lange tijd gevoeld heb.
Zij was de laatste. Maar ook zij kon niet inpluggen bij mijn persoonlijkheid, die een (brood)nuchter brein paart aan een aangeboren melancholie, die altijd op de loer lijkt te liggen: als een soort ‘innerlijke Dr. Gachet’, om met een Van Gogh-referentie te spreken ‒ al zijn mijn ogen iets minder waterig blauw dan op het meesterwerk van Vincent. Alsof hoofd en gemoed constant lijken te disharmoniëren. Valt ook niet mee voor een buitenstaander om daar chocola van te maken, voor de gevoelsmens ben je onbewogen en voor de rationele medemens ben je weekhartig.
Onze-Lieve-Heer (lees: dat wat dit alles hier op aarde bestiert, wat dat ook zijn moge) lijkt niet erg genadig te zijn. Alsof hij/zij/het de meest romantische zielen onder ons bewust het minnegeluk onthoudt. Terwijl wij, dolende romantici, er wellicht het vurigste naar smachten. Wij romantici die de slotscène uit When Harry Met Sally niet zonder natte ogen kunnen aanschouwen (‘You make it impossible for me to hate you. And I hate you, Harry. I really hate you’). Ach, het levert kunst op, zullen we maar zeggen. Literatuur, muziek, films. Vertroosting. Zonder de smart van de kunstenaar zouden wij, om maar eens iets te noemen, nooit hebben gehoord van Werther en Lotte of van Francesca Johnson en Robert Kincaid. Melvin Udall en Carol Connelly, iemand?
Ik heb er nooit met mijn hoofd bij gekund dat er lui zijn die hun ‘betere partij’ hebben gevonden en zich desalniettemin regelmatig uitleven in gekijf naar hem of haar toe. Negen van de tien keer gedoe om niks, om futiliteiten. Terwijl er mensen zijn die hun hele leven op zoek zijn naar twee ogen waarin een zekere herkenning te bespeuren valt. Een betekenisvolle omhelzing, een stem met weerklank. Mij altijd een raadsel geweest dat er stelletjes zijn waarvan de twee leden vaker dan nul keer in hun leven kift met elkaar hebben. Je leeft ‒ volgens overlevering ‒ maar één keer, geen dag keert ooit terug.
Ik zie ze weleens zitten aan een tafeltje naast het mijne, die stelletjes, als ik tijdens een vakantie in pakweg Stockholm, Boedapest, Barcelona of Florence ’s avonds op een restaurantterras ben beland. Vanuit mijn ooghoeken registreer ik de sociale rampspoed. Het ongemakkelijke zwijgen. De blikken die verwijten spuwen. Nu en dan wat vinnige opmerkingen over en weer. Een geluk als er geen kinderen in het spel zijn. Iedere relationele ruzie om niks mag wat mij betreft beschouwd worden als een misdaad tegen de menselijkheid.
Ze ging haars weegs. Ze had er alle recht toe, ze is een vrij mens. We zijn allemaal vrije mensen die diep in ons hart, of soms iets minder diep, verlangen naar de onvrijheid van het vastgeklonken zitten aan die éne persoon die jouw persoonlijkheid doorziet in één oogwenk. Maar loop die maar eens tegen het lijf.
Laat de herfst maar komen. Laat de winter maar komen. Ik heb de kunst, ik ben ingedekt.





