
Bron: Photo by hotblack at Morguefile.com
Soms, heel soms, heb ik het gevoel dat ik onzichtbaar geworden ben. In ieder geval voor de mensen in mijn directe leefwereld. Ik ben namelijk tamelijk onzichtbaar voor mijn kinderen. Voor hen ben ik meer een handigheid, althans, zo lijkt het. Een hygiënefactor (zie Herzbergs Motivatie-Hygiëne theorie). Als ik er niet ben (en bijvoorbeeld niets betaal), dán pas merken ze dat ik besta.
Misschien hoort dat ook wel zo, als ouder zijnde. Maar misschien ook niet, want ik ben ook min of meer onzichtbaar voor mijn eigen ouders. Mijn broer en zus staan altijd op de voorgrond te tetteren met hun akkefietjes, problemen en rariteiten. Zij zijn de zorgenkinderen, niet ik. Ik ben er gewoon. En ik functioneer. Vooralsnog. Naar zo’n kind hoef je niet om te kijken.
En voor de rest ben ik kennelijk ook uitermate onopvallend, want geef toe, wie leest mij nou? Vorige week was ik op seminar en zag ik de kans niet om voor zaterdag nog een HMD-stukje in te leveren. Bij hoge uitzondering was er dus geen schrijfsel van mijn hand. En je raadt het: geen kip die ‘t opvalt. ook al verschijn ik reeds bijna negen jaar lang op de zaterdagmiddag. Gelukkig ben ik nog nét niet onzichtbaar voor Jonna, maar dat duurt vast ook niet lang meer.
Enfin. Genoeg gejeremieerd. De facto geldt, proefondervindelijk bewezen: hoe ouder je wordt, hoe vanzelfsprekender je bent. Waar het me om gaat, is dat die vanzelfsprekendheid en onzichtbaarheid van mijn bestaan me een unheimisch gevoel van naderende ouderdom geven. Van langzaamaan geen oudere jongere (wie kent Van Kooten & De Bie nog?) meer zijn. De leeftijdsfase waarin je steeds meer zaken (en mensen) vergeet en tevens zelf in vergetelheid raakt.
De achtergrond van het bestaan, dat is nu mijn habitat. Het leven draait meer en meer om ‘gewoon functioneren’. Of, zoals Barrie Stevens (als je hem nog kent, ben je ook oud) zei: “Voorrral doorrrgaan!” En daarnaast is er nog de gestage toename in kwalen en pijntjes, die er enkel zijn om je eraan te herinneren dát je nog leeft.
Gek genoeg ben ik voor de ware ouderen juist weer niet onzichtbaar. Zij weten immers allang hoe het is, daar op de achtergrond. Ja, de ware oudjes praten zelfs maar wat graag met mij (of met welke mens dan ook). Waarschijnlijk omdat zij inmiddels geheel onzichtbaar zijn geworden voor de mensen in hun eigen omgeving? Of, nog erger, omdat die mensen er al niet eens meer zijn?
Zo was ik laatst op de huid-poli voor een ietwat uit de kluiten gegroeide wrat. Naast mij in de wachtkamer zat een werkelijk stokoude man. 96 jaar. Met een puist. Zo groot dat ie eruit gesneden moest worden.
Gelaten toont hij me het monster. De schok is kennelijk te zien in mijn ogen, want hij voegt er direct aan toe: “Ik ben al stokoud, hè. Dan komen dit soort kwaaltjes.”
“Nou, volgens mij komen die al wel eerder…” hakkel ik bij de aanblik.
“Nee, nee, dat zijn slechts de milde kwalen,” benadrukt hij, “jij mag nog niet klagen, jongeman. Dit ding was een paar maanden geleden nog maar een onschuldig bultje. Eigenlijk gewoon een pukkel. Maar die werd maar niet rijp. Ja, naar binnen toe, maar niet naar buiten. Viel niet uit te knijpen. Maar ik deed dat dus wel. En toen ging ie van binnen kapot.”
Ik weet niet zeker of ik dit allemaal wel wil horen. Dan wordt ons gesprek gelukkig abrupt verstoord; meneer wordt met rolstoel en al de behandelkamer ingeduwd. Even tijd om op adem te komen. Welgetelde vijftien minuten, dan wordt hij weer naast mij op de lege gangplek geparkeerd, om vervolgens daar weer opgehaald te worden voor het volgende transport.
“Nou ja, dat was dus niet goed,” vervolgt hij onverstoorbaar zijn relaas, “dus hebben ze ‘m er nu met pus en al uitgesneden, anders gaat ie woekeren. Kijk!” Hij houdt zijn onderarm omhoog. Tot mijn vreugde zit er inmiddels een dik verband omheen.
“En nu?” waag ik te vragen.
“Nu wacht ik. Tot de verplaatsverpleging me naar de thuisbrengtaxi brengt. Die brengen me dan thuis, waar ik dan weer wacht op de thuishulp. Ja, weet je, ik heb niemand meer. Iedereen om me heen is weggestorven en de rest ziet me niet staan. Wil jij niet mee, een kopje koffie drinken? Je lijkt me een geschikte knaap voor een langer gesprekje.”
Ik moest er niet aan denken. Tegelijkertijd had ik met hem te doen. Hij was de ware onzichtbare. Een nog levende mens die, behalve puistbehandelende artsen en verplaatsende verpleging, door niemand meer gezien wordt. En ineens wist ik het: ik ben nog zó jong! Ik moet niet kniezen, maar om me heen kijken. Kijken om te zien.
En ik weet ook: zo wil ik niet oud worden. Maar de enige, nogal deprimerende oplossing is dan waarschijnlijk om niet zo oud te worden. Het wachten is nu enkel nog op de eerste ingegroeide ouderdomspuist.

