Na mijn hond te hebben losgelaten in het park, ga ik zitten op een bankje en geniet van één van die dagen waarop het park zich vult met de rustige melancholie van de herfst. De bladeren vallen traag van de bomen.
Ik kijk wat rond en zie twee bankjes, iets verderop. Op één van de bankjes zit een man van middelbare leeftijd. Roerloos, bijna te stil voor iemand die zomaar van de rust wil genieten. Zijn ogen zijn gefixeerd op een vrouw op het andere bankje, een paar meter verderop.
Ze lijkt geen idee te hebben van zijn aanwezigheid. Ze bladert gedachteloos door een tijdschrift, haar rug recht, haar blik kalm. Haar verschijning lijkt voor de man echter van alles te betekenen. Ik zie hoe hij subtiel aan zijn jasrits friemelt, zijn handen op zijn knieën legt en weer terugtrekt. Het is een geforceerde rusteloosheid, alsof hij elk moment wil opstaan, naar haar toe wil lopen, iets wil zeggen – maar niet durft.
Hij zit daar, gevangen in stilte, terwijl de tijd verder tikt. De vrouw kijkt op haar horloge, draait haar hoofd een paar keer naar de vijver naast haar en gaat weer op in haar tijdschrift.
Ondertussen lijkt de spanning in de man alleen maar toe te nemen. Ik zie zijn blik: verlangend, maar ook vervuld van een soort diep verdriet, alsof hij zichzelf al overtuigd heeft dat hét moment nooit echt zal plaatsvinden. Eenzaam en verlangend.
Na een half uur gebeurt het onvermijdelijke. De vrouw staat op. Langzaam, bijna alsof ze de zwaarte van het moment voelt. Maar misschien heb ik het mis en is dit voor haar gewoon een alledaags moment. Voor de man echter lijkt dit het begin van iets dat hem nog lange tijd zal achtervolgen. Ik zie zijn ogen wijd opengaan. Dit is het moment dat hij moet handelen. Nu of nooit.
Ze pakt haar tas en begint te lopen. De man verstart, zijn handen knellen zich om de rand van het bankje. Ik kan zien hoe zijn gedachten door zijn hoofd tollen. Hij móét iets zeggen, dat weet hij, maar het is alsof zijn benen verlamd zijn, zijn stem verstomd. Hij ziet zijn kans langzaam maar zeker vervliegen.
Op een zeker moment maakt hij een nerveuze schuifel op het bankje, alsof hij zijn lichaam in beweging wil krijgen. Maar dan zit hij toch weer stil. Ze is al te ver weg. De kans is voorbij.
Ik vraag mij af hoe vaak hij in dit park heeft gezeten, alleen, wachtend op iets, op kansen die hij nooit durfde te grijpen. Hoe vaak zal hij nog terugkomen, met diezelfde droevige hoop in zijn ogen?
Ik draai mijn hoofd en fluit naar mijn hond. Maar die greep wél zijn kans. Hij zit bovenop een andere hond. Geen enkele aarzeling, hij weet precies wat hij wil…






Eenzaamheid maakt een mens kapot. Wie weet wat hij met die vrouw van plan was, maar toch niet durfde. Alleen hij kan het weten.
Pracht sfeertekening Paco.
Paco,
Mooi, maar ik ga even zijn gedachten ontrafelen.
Aha,dit zegt zijn Super Ego: Zit je daar nu weer stil met jouw gedachten aan vroeger en dat je na 25 jaar detenttie vervroegd vrijgelaten werd omdat je jouw ID jouw opborrelende lusten niet kon bedwingen en nu op de bank mijmert over hoe het zou kunnen zijn als je geen jaren in gevangenschap had gezeten. Verloren jaren!
Het bezoek werd minder en minder totdat er niemand meer kwam: overleden, begraven, gecremeeerd, in de natuur begraven?
Je hebt dat nooit gehoord. Jouw ego zegt nu: Niet overdrijven jouw ID is wat anders dan EGO.. Dat ID had je toen niet onder controle kunnen hebben en zelfs nu niet omdat je loert, observeert en schalks kijkt naar de vrouw.
Aha, jouw EGO zegt nu wat anders: Ik heb geleerd van mijn fouten, ben daar voor gestraft maar de eenzaamheid is niet te verdragen op deze mooie dag. Zou het dierenasiel nog een hondje hebben dat bij mij past wij elkaar kunnen troosten? Zo’n klein wit hondje die ik “Vriend”zal noemen. Kom Vriend, ik weet een mooi bankje dan kan jij flirten met andere hondjes en ik kijk naar wie ik zal zien.
Wat kan jij mooi schrijven!
Dank je wel.