Weekend. Ik wil een eitje bakken voor mijn vrouwe. Zo’n uitgebreid eitje, met tomaat, paprika, ui en vooral: knapperig gebakken bacon. Ik doe wat olie in de pan en snijd alvast de uitjes, paprika en tomaat klein met mijn Japanse santoku-mes. Eitje.
Maar dan de bacon. Die zit in een zakje. Met daarop de sticker: Hersluitbaar. Ook staat er links onderin op een hoekje van de sticker ‘open’. Dus ik denk: dáár gaat het zakje open. Niet, dus. Dan het hele plakkertje omhoog, misschien? Nee. De twee zijdes van het plastic uit elkaar trekken, zoals je bij een chipszak doet? Nee, ook niet. Inmiddels begint de olie te roken. Die verhipte bacon moet erin.
Mateloos geïrriteerd door het niet te openen hersluitbare zakje pak ik mijn mes, houd het zakje aan een punt vast en jas hem open. Evenzo het topje van mijn linkerwijsvinger. Het is inderdaad een geweldig fileermes, kun je niks van zeggen. Even staar ik zwijgend naar mijn onvrijwillig afgeplatte vinger. En dan brul ik: “FUCK!”
Jonna komt meteen naar beneden gesneld, want in mijn normale doen zou ik nooit een dergelijk woord uitkramen. En zij weet dat. Dus moet het gebeurde wel ernstig zijn. Een blik op mijn hevig bloedende vinger en ze draait weer om, rent naar boven en stommelt weer naar beneden met de verbanddoos.
“Heb je het plakje top nog?” vraagt ze, uit alle macht proberend kalm te blijven.
“Huh?”
“Je vingertopje! Waar is het?” Al iets minder kalm. Dan grijpt ze het mes, pulkt het plakje eraf en legt het zo recht mogelijk op mijn vinger. Volgens mij met uiensap en al. Het brandt. Ze veegt het bloed zo goed als het gaat weg, plakt een pleister erop, wikkelt er een vingerverband omheen en commandeert: “Omhoog houden nu. Steek je vinger op!” Gedwee doe ik wat me opgedragen wordt. Inmiddels ben ik lijkbleek. Jonna duwt me de auto in en rijdt naar de Eerste Hulp post.
“Wat heeft u gedaan, meneer?” De arts kijkt me vorsend aan.
“Ik wilde een ei bakken,” murmel ik.
“Mét bacon,” vult Jonna aan.
“In een niet-hersluitbaar hersluitbaar zakje,” huil ik nu bijna.
“Aha. Nou meneer, bacon is sowieso slecht voor u,” zegt de arts, terwijl ze alles goed schoonmaakt (het brandt nog meer) en een soort van lijm op de wonde doet.
“Ja, dat heb ik ook gemerkt…” Ik draai me om, kan er niet meer naar kijken. Dat was mijn lievelingstypvinger…
“We kunnen enkel hopen dat het topje nog weer vastgroeit, maar garanderen kan ik het niet,” gaat ze onverstoorbaar verder, terwijl ze nieuw verband om de vinger doet. “Niet douchen, of enkel met een plastic zak om uw hand. Minstens twee weken niet typen, niet neuspeuteren, niet porren. Met die ene vinger dan.”
Gelukkig voegt ze dat eraan toe, want niet typen? En neuspeuteren lukt me sowieso niet met zo’n verband erom. Bovendien doe ik dat altijd met rechts.
Zal ik me ziek melden? Of toch maar meester in de dikke-middelvinger-typvaardigheden worden? Ach, de wanhoop…
Enfin. Ik typ deze blog nu dus hoofdzakelijk met mijn middelvingers. En het lukt al aardig, moet ik zeggen. En één ding weet ik nu zeker: ik neem nooit meer hersluitbare zakjes. Ondingen zijn het. Net als Japanse messen. Vooral als je geen hersluitbare vingers hebt.





Beterschap Denis en wat fijn dat Jonna zo adequaat gehandeld heeft.