In de Hema wil ik een opvouwbare wasmand afrekenen. De caissière vraagt, al kauwgum kauwend, aan de klant vóór mij, die met een handdoek in zijn hand staat, of hij een nieuw zegelboekje wil.
“Eh… nee… ik ben niet zo’n lezer,” antwoordt de man zonder te lachen.
Hij wordt getrakteerd op een blik waarin ongeloof, wantrouwen en minachting om voorrang strijden. “Ik bedoel gewoon een boekje om zegels in te plakken, zeg maar…” Ze wil er duidelijk asshole aan toe voegen. Maar dat slikt ze net op tijd in. Samen met de kauwgum overigens.
Dan ben ik aan de beurt en reken mijn opvouwbare wasmand af. “Oh,” zeg ik, “nu ben ik een bakblik vergeten. Kunt u die nog even voor mij pakken?”
Het meisje loopt met een rood hoofd de winkel in en komt even later met een bakblik terug. “Wij hebben alleen nog een springvorm of zo, zeg maar,” zegt ze.
“Tuurlijk meid, maakt niet uit. Een kapstok mag ook, als ik er maar een appellentaart in kan bakken.”
Ze rolt met haar ogen en ik krijg de blik. Een blik die pubers hanteren als ze te maken hebben met stokoude mensen van boven de twintig. De minachting wint deze keer.
“Het is trouwens appeltaart, meneer.”
“Is dat zo? Maar je zegt toch ook pruimentaart en niet pruimtaart?”
Gelukkig begint mijn mobieltje te rinkelen. Snel neem ik op. Het is mijn achterbuurman, wethouder Bleekbal, die me doodleuk meedeelt dat de door mij aangevraagde toestemming voor het bouwen van twee dakkapellen op mijn huis geen doorgang kan vinden.
Bleekbal is fractievervuiler van een onguur partijtje in onze stad. Een soort Trump, min of meer. Zonder verdere omhaal verbreek ik de verbinding, want ik laat de vreugde over dé aankoop van mijn leven – een springvorm – niet door zo’n minkukel vergallen.
Even later belt mijn buurman, oom Jort. Ik vertel hem over Bleekbals beslissing.
“Dat is knap lullig,” zegt oom Jort. “Ik sprak Bleekbal trouwens net nog. Hij had haast, want hij moest straks naar de kapper. Oh, sorry, hij noemde het coiffeur.”
En terwijl de caissière met rood hoofd de springvorm inpakt, laat ik deze kans om Bleekbal te corrigeren niet schieten. Ik bel zijn coiffeur.
“Allo, met Sjoerdie.”
“Dag Sjoerdie, met de secretaris van wethouder Bleekbal. Ik moest doorgeven dat de weledele heer Bleekbal een halfuurtje later komt om geknipt te worden.”
“Okeetje, hihihi. Weet je ook door wie van mijn personeel hij geknipt zou worden?”
“Tuurlijk, door dat vette wijf. Zijn niet mijn woorden hoor. Dat zei Bleekbal. Hij had het over ‘dat vette zwijn’… Alie, geloof ik.”
Het blijft even stil aan de andere kant van de lijn. Dan zegt Sjoerdie: “Oh, hij bedoelt waarschijnlijk Adrie.”
De vrieskou stuift mijn oor binnen. “Whatever, Sjoerdie. En eh… o ja, Sjoerdie. Weet je wat die guitige wethouder ook nog zei?”
…
“Hallo, Sjoerdie, ben je er nog?”
“Ja.”
“Oké, de weledele Bleekbal zei dat er bij jullie ook nog zo’n nicht werkt. Hij zei, ik citeer: ‘Zo’n nicht die ’s nachts in bed alleen de artiesteningang prefereert. Kun je daar wat mee? Herkenbaar? Jaja, Sjoerdie, je hebt een wethouder met humor als klant. Fijne dag verder.”
En voor hij, al dan niet uit zijn vel springend, kan reageren, verbreek ik de verbinding. De caissière heeft intussen zwetend, hijgend en rollend met haar ogen de springvorm — of is het hét springvorm? — ingepakt. Na een kwartier verlaat ik de Hema. Zonder zegelboekjes.
Aan het eind van de middag loop ik het café binnen waar ik vaak een kop koffie drink.
Daar zie ik Prof. Dr. wethouder Bleekbal. Op het eerste gezicht verdienstelijk geknipt, in aanmerking genomen dat er weinig zinvols valt uit te richten op zijn hoofd. Jammer.
Dan zie ik het hoofd van de kroegbaas. Vuurrood! Hij kan amper zijn lach inhouden. Hij wijst naar het achterhoofd van Bleekbal, die voorovergebogen aan een tafeltje de krant leest. Ik kijk. En ik kijk nog eens. Daarna nog eens. Sjoerdie heeft zichzelf overtroffen. Bleekbals achterhoofd is zo geknipt dat het woord “LUL” erin verwerkt is.
“Dag Bleekbal,” begroet ik de hufter. “Hadden ze dat door weer en wind aangetaste jutetouw langs je oren niet wat gevoeliger kunnen bijpunten?”







Bij zo’n coiffeur zou ik mij amuseren. Ik ken trouwens nog enkele personen wiens haar hij eens onder handen zou mogen nemen.
Ach.. in Hier Eet Men Afval, tenminste bij een HEMA met eetgelegenheid. Waar de ‘hete hond’, type DonTrum worst met saus in de monden gepropt wordt door een lokale wethouder die – op advies van de gemeentelijke bedrijfsarts Jan de Groot (86, ZZP)- met zijn re- integratie naar volledig geestelijk herstel druk doende is. Zo, vergist deze wethouder bij het opnemen van een bestelling nog iets te vaak ‘ Dus u wilt een blikje van Samsom, 2 ventielen, een fietspomp?’ Anders nog iets? Aha, een fietsketting in afgewerkte smeerolie! De restaurant medewerker die de wethouder begeleidt zegt snel’ excusé moi’ Meneer hierrrrr werkt aan zijn ‘ volledig herstelllll en terugkeer in zijn baannnn!’ Binnenkort gaat deze meneer bij een Barbier werken aan zijn terugkeer als wethouder. Het zijn de laatste 3 weken en dan is hij weer beter!
Anders nog iets van uw dienst?, fluistert de wethouder tegen 4 overhemden in de verpakking? Zeggen jullie weer niets….!