Als ik uit mijn raam kijk, zie ik een veel te dure sportwagen de invalide parkeerplek opscheuren. Direct word ik woest, want meestal stapt er een luie student uit en ik kan me daar gruwelijk over opwinden. Dat soort paljassen geef ik graag op hun vet!
Maar als de deur opengaat zie ik een zwarte laars, gevolgd door een been in een panty, met daar overheen een strak rokje. Daarna wapperen blonde haren de sneeuw weg.
Een paar enorme, helblauwe ogen zien mij kijken en de dame in kwestie geeft een vriendelijk knikje. In mezelf stotter ik dat ik heel boos op haar ben. Zij heeft zeer zeker niet het recht om op die plek te parkeren.
De vrouw heupwiegt het gebouw binnen.
Mijn ogen volgen haar route. Ze loopt richting de bakkerswinkel. Dat denk ik tenminste, want ik betrap mezelf erop dat ik verlekkerd naar die laarzen en het rokje staar. Poeh! Benen tot aan haar oksels en een taille waar de gemiddelde wesp jaloers op is. In gedachten ruik ik haar parfum.
Nee, ik ben boos op haar. En ik verman mezelf.
Waar haalt ze het lef vandaan om op een parkeerplaats voor mensen met een beperking te parkeren? Ook al sneeuwt het en is er verder nergens plek? Het is asociaal gedrag en als ik haar spreek zal ik haar er resoluut op aanspreken. Wie denkt ze wel dat ze is?
Ik ben tevreden over mijn volwassen gedachtengang, en ik ga weer een puik potje werken.
Dan gaat de deur open, en de blonde dame loopt mijn winkeltje binnen.
Mijn adem stokt, ik voel mezelf rood worden en volgens mij beginnen mijn zweetklieren op te zetten.
Maar toch, ik zal haar eens eventjes vertellen wat ik van haar vind. Zo mannelijk mogelijk trek ik mijn mond open.
Maar dan kijkt ze mij met die helblauwe ogen recht aan. Ze bibbert een beetje en zegt: “Poeh, wat is het koud he? Maar hier is het lekker warm.”
En pardoes trekt ze haar jas uit.
Ik ontwaar een decolleté dat mijn testosteron doet stijgen en per direct druppelt er een beetje zweet vanuit mijn nek richting mijn bilnaad.
“Ja, hahahahaha!” lach ik, schandalig overdreven; “Ehm, kan ik helpen?”
Ik probeer in haar ogen te kijken, maar mijn blik dwaalt continue een centimeter of twintig naar beneden.
Als ze tien lange minuten later tevreden mijn winkeltje verlaat, laat ze mij verdwaasd achter.
Als een puisterige puber heb ik mij laten beetnemen door de oogverblinde schoonheid van deze blonde dame. Wat vreselijk onprofessioneel van me.
Vanuit mijn ooghoek zie ik de benen in de BMW stappen, en niet veel later scheurt ze veel te hard de invalideplek af.
“De volgende keer ga ik er echt wat van zeggen,” stel ik vast. En met gestokte adem ga ik weer aan de slag.







