Mijn compagnon én buurman oom Jort belt: “Wil je lachen?”
“Hoezo?”
“Moet je hierheen komen.” En hij verbreekt de verbinding.
Even later loop ik de sportschool binnen waar oom Jort en ik onze spieren stevig houden. Dat is wel handig als je een onderzoeksbureau runt. In de sportruimte wijst Jort met een grijns naar de hoek en ik zie het met eigen ogen: een wonder heeft plaatsgevonden. Onze arrogante klant wethouder Jansen ligt tussen een stuk of tien andere gespierde types, op een halterbank zijn miezerige armpjes op te pompen. Hij volgt de aanwijzingen op van iemand die naast hem ligt: een gestoorde computerhacker die ze hier Cookie Monster noemen.
“Kijk eens welk krachtpatsertje op niveau hier ligt te lijden,” begroet oom Jort de wethouder opgewekt.
Jansen vertrekt geen spier. “Eh… mag ik ook even aan mijn conditie werken, ja!” kreunt hij beledigd.
“Van mij mag alles, Jansen,” zegt oom Jort. “Maar is dat echt voor je conditie of alleen omdat dat mouwloze T-shirt dat je draagt geen gezicht is met die spillenarmpjes?”
“Rot jij effe lekker op!” roept de naast hem liggende Cookie Monster.
“Nou nou nou, wat een taal, zeg! Hoor je dat, oom Jort?” vraag ik.
“Jazeker, ik hoor het. Zal ik hem een standje geven?”
“Doe dat, Jort. Misschien is dat bevorderlijk voor zijn sociale omgangsvormen.”
Oom Jort bukt zich en kietelt Cookie Monster onder zijn oksels op het moment dat die de halter boven zijn hoofd tilt. Tevreden aanschouw ik het resultaat en richt mijn aandacht weer op Jansen, maar hij geeft het op en loopt zwetend naar de kleedhokjes.
Een kwartier later komt hij weer naar buiten zoals wij hem kennen: gekleed in een ongehoord fout pak. En de kapper die zijn kapsel heeft “gecomponeerd” lijkt duidelijk een carrière als behanger te zijn misgelopen.
Aan de bar neemt Jansen een fruitsapje en zucht: “Zelfs hier is het druk.”
“De hele wereld is druk, Jansen,” zegt oom Jort troostend.
“Ja, wat moet je eraan doen?” zucht hij.
“Grote schoonmaak,” stel ik behulpzaam voor. “Volgens mij kan alleen een nieuwe virusuitbraak nog helpen.”
Hij kijkt me wantrouwend aan.
“Ja, Jansen, een virusuitbraak met miljoenen doden. Of vogelgriep. Maar zelfs een miljoen doden helpt niet meer.”
“Nee,” stemt oom Jort in. “Wereldwijd merk je dat niet eens. Het zal een tijdje stinken. En voor je het weet, klaagt iedereen over de overlast, maar dan is het weer business as usual.”
Cookie Monster, die er intussen ongemerkt bij is komen zitten, wrijft over een ongehoord grote blauwe plek op zijn kale schedel.
“Bezeerd, Cookie?” vraag ik belangstellend.
“Weet je wat ik hoop?” zegt Cookie Monster met samengeperste lippen.
“Vertel op,” vraag ik nieuwsgierig.
“Dat jij snel de moord zult stikken, kwallenbak!”
“Vind ik op zich niet negatief, Cookie,” antwoord ik nadenkend. “Ik bedoel maar: als je vroeg sterft, ben je langer dood, en dat heeft ook z’n voordelen. Met name financieel gezien.”
Cookie Monster reageert niet. Een slokje fruitsap met sinaasappelpulp schiet in z’n verkeerde keelgat, en dat zelfs zonder een standje van Jort.






Mwahh, lekker dûh seg wa gij ook skrijf ik bleiv an de jogurt med blauwe bessen!