
Bron: Photo by hotblack at Morguefile.com
Zoals jullie onderhand wel weten, gaat ze weg. Mijn Jonna. Niet zomaar even een weekendje naar haar moeder in Assen of een retraite op de Veluwe om ‘tot zichzelf te komen’ (een uitdrukking die me altijd weer lichte rillingen bezorgt), maar echt weg. Ver weg. Zanzibar. Vrijwilligerswerk. Medisch. Iets met zieke kindekes en slechte hygiënische omstandigheden. De details heb ik inmiddels verdrongen, want ergens in haar niet aflatende uitleg donderde het besef als een baksteen op mijn hoofd: ook deze relatie is weer zo goed als over.
Nu is het niet bepaald de eerste keer dat een vrouw mijn leven verlaat. Het begint bijna een patroon te worden. Volgens sommige relatie-experts, die zich druk maken over de zogenaamde ‘vijf fases van de liefde’, zou ik hier onderhand toch wel iets van moeten leren.
Vijf fases, jawel. De eerste is verliefdheid. Die ken ik. Dat is de fase waarin je denkt dat ze geen enkele slechte eigenschap heeft, zelfs niet als ze avocado op brood smeert en dat ‘een volwaardige maaltijd’ noemt. De tweede fase is de realiteit. Die waarin je ontdekt dat ze wel degelijk slechte eigenschappen heeft, zoals een avocado op brood smeren en verwachten dat jij dat dan ook ook eet.
Dan komt de derde fase: de crisis. Die ken ik ook. Mijn crisis is meestal dat de ander zich afvraagt of ik ooit ga ‘groeien als persoon’. Terwijl ik me afvraag hoe we van Netflix-op-de-bank beland zijn in een discussiegroep over mijn emotionele beschikbaarheid.
De vierde fase zou ‘de werkelijke liefde’ zijn. Dit is de fase waarin je samen een diepere band vormt, elkaars nukken accepteert en, tegen alle verwachtingen in, nog steeds samen wilt zijn. Ik geloof niet dat ik ooit in mijn leven in deze fase ben aanbeland. Tegen de tijd dat ik zover ben, heeft de ander meestal al het vliegtuig naar een ander continent geboekt.
Wat ons brengt bij fase vijf: liefde inzetten om samen de wereld een beetje beter te maken. Of in Jonna’s geval: de wereld écht beter maken, maar dan zonder mij.
En nu zit ik dus hier, met een halflege fles wijn. In een huis dat, sinds de kinderen – min of meer – uitgevlogen zijn, toch al wat te groot voelt. Die kinderen, die af en toe appen als ze geld nodig hebben. Simone belde me laatst omdat haar fietsband lek was en ze geen idee had hoe dat ding te plakken. Een kort moment van vaderlijke trots – ze vroeg het aan mij! – gevolgd door lichte wanhoop: hoe heeft ze die bijna achttien jaar in mijn huis doorgebracht zonder ooit een fietspomp te hebben aangeraakt?
Misschien is dat wel typerend. Niet alleen voor Simone, maar ook voor mij. Voor mijn relaties. Misschien kies ik steeds vrouwen die, net als zij, op een dag ontdekken dat ze iets essentieels missen. Een fietspomp, of zo. In ieder geval iets wat ze nooit eerder nodig dachten te hebben. En als dat besef komt, pakken ze hun biezen en gaan op zoek. Naar avontuur, naar zingeving, naar méér. Terwijl ik, naïef misschien, steeds dacht: dit was toch al best goed? Misschien is dat waarom ik hier zit en Jonna straks daar op Zanzibar, gewapend met steriele handschoenen en een missie.
En ik? Ik zal mezelf weer bij elkaar rapen. Misschien de volgende keer beter opletten in welke fase ik zit. Of zelfs gewoon maar accepteren dat mijn relaties andere stadia doorlopen.
Fase één: ze verschijnt in mijn leven.
Fase twee: we houden van elkaar.
Fase drie: ze vertrekt naar een ver land. Of naar een andere man.
Misschien moet ik volgende keer een vrouw kiezen zonder een of andere vorm van – al dan niet relationele – Wanderlust. Of eentje die gewoon van een boterham met kaas houdt.




