
Bron: Photo by hotblack at Morguefile.com
Jarig zijn is een ziekte waar je eens per jaar een dag lang aan lijdt. Er is geen remedie tegen, behalve doodgaan, maar dat is vooralsnog een ietwat drastische oplossing. Dus zit ik hier weer. Sinds afgelopen maandag weer een jaartje ouder en wijzer (hoop je dan). En ook een jaartje dichter bij de onvermijdelijke aftakeling. Hoera!
Ik vind verjaardagen maar een vreemd fenomeen. Het begint al bij het ontwaken op D-Day; meteen word je overspoeld met appjes en privéberichten van mensen die jou de rest van het jaar geen zin waardig keuren. Allemaal sturen ze hetzelfde; namelijk iets in de trant van: “Gefeliciteerd” – meestal zonder enige verdere aanvulling. Gefeliciteerd… waarmee? Dat ik nog steeds niet door een stadsbus ben geschept? Dat ik het weer een jaar lang gepresteerd heb om niet terminaal uit bed te vallen? Nou, bedankt.
Dan volgt ergens in de namiddag, avond – of uiterlijk in het weekend erna – de verplichte visite. Mensen komen langs, niet omdat ze daar zin in hebben, maar omdat het moet. En jij moet ook. Koffie, taart en standaardconversaties. “Hoe is het?” vragen ze. En je mag niet antwoorden met: “Nou, best kut, eerlijk gezegd.” Nee, enkel sociaal wenselijke leugens mogen. Dus: “Ja ja, best, hoor!” En op de vraag: “Wat doe je zoal, tegenwoordig?” antwoord je braaf: “Oh, van alles. Gaat goed.”
Onderwijl zitten de kinderen braaf hun tijd uit op de bank.
De visite zelf bestaat uit een bonte verzameling sociale verplichtingen en ongemakkelijke gesprekken. Die ene buurvrouw die subtiel opmerkt dat je nu toch écht wel ouder begint te worden. Iets wat die andere, energetisch verlichte buuf al lang en breed via je uitgezonden lichaamsfrequentie had vastgesteld. De oom die als vanzelf weer over Trump begint, terwijl niemand daarom heeft gevraagd. De toffe platonische vriendin die in een onbewaakt moment probeert te peilen of je inmiddels alweer op de markt bent (nee, mens, Jonna is nog niet eens weg…), waarna ze je duidelijk maakt dat jij je oude dag vást en zeker in eenzaamheid gaat slijten tussen je katten en je verbitterde cynisme.
De kinderen werpen me zo nu en dan een blik van verstandhouding toe.
En dan zijn er nog de cadeaus. Iedereen zegt dat het om het gebaar gaat, maar dat is niet waar. Het gaat om de ongemakkelijke balans tussen verwachting en realiteit. Je krijgt een fles wijn die niemand zelf zou drinken, een boek dat je allang hebt of een douchegelpakket dat rechtstreeks uit de ‘geen inspiratie’-sectie van het Kruidvat komt. En jij moet dan doen alsof het precies is wat je altijd al wilde. “Oh, wat fijn, een geurkaars met de subtiele geur van verbrand gras en goedkope vanille, de mijne is nét gisteravond opgebrand!”
De kinderen grinniken. Zij weten hoe hun pa tikt.
De late avond brengt dan de reflectie. Wéér een jaar voorbij. Wéér niks bereikt. Of juist wel, maar toch voelt het als nooit genoeg. De morning after is alles gelukkig weer normaal. De wereld gaat verder, alsof er niets is gebeurd. Eigenlijk is een verjaardag gewoon een sociale test: wie van je vrienden en kennissen trekt het nog om een paar uur met jou door te brengen? En belangrijker nog: hoe snel zijn ze weer weg?
Het aftellen naar de volgende verjaardag gaat van start. Weer heerlijke 364 dagen uitstel van executie.
Misschien moet ik volgend jaar gewoon doen alsof ik al overleden ben. “Nee, sorry, hij is niet meer. Heel tragisch. Maar hij laat vanuit het hiernamaals weten dat hij geen bloemen wil. Enkel rust.”


