
Bron: Photo by hotblack at Morguefile.com
Simone hangt op haar vrije vrijdagmiddag lusteloos op de bank, haar blik strak op het plafond gericht. Alsof daar het antwoord op alle levensvragen staat geschreven…
Ik ken die blik. Het is die van de totale zinloosheid. Als puber had ik hem ook regelmatig, maar dan meestal vlak voor een wiskundeproefwerk of een verplichte familiedag.
“Pap,” begint ze zuchtend, “wat heeft het eigenlijk allemaal voor zin?”
O jee. Daar gaan we weer. Voor de hoeveelste keer heb ik deze vraag nu gehoord? Ik weet het niet meer.
“Wat precies, meiske?”
“Nou, alles, hè. Het leven en zo. We doen van alles, studeren, werken, consumeren, produceren, whatever. En uiteindelijk verpesten we met alles wat we doen alleen maar de hele planeet. Het is gewoon allemaal hartstikke zinloos.”
Ik schenk nog maar eens een kop koffie voor mezelf in. “Dat klinkt behoorlijk somber voor een vrijdagmiddag.”
“Ja, maar denk er nou eens serieus over na,” gaat ze onverstoord verder. “Klimaatverandering, oorlogen, politici die alleen maar liegen, Amerika en China die elkaar de tent uitvechten – nota bene de enige tent die we als mensheid hebben – en de rest van de wereld die er maar een beetje hulpeloos bijhangt. Waar doe je het nog voor? Geef toe, eigenlijk heeft mijn generatie geen toekomst meer.”
“Hmm,” mompel ik. “En ik dacht nog wel dat ik degene was die hier thuis cynisch mocht zijn.”
“Dat is geen cynisme, pap. Enkel realisme.”
“Het kan ook allebei zijn,” zeg ik rustig.
Ze kijkt me geïrriteerd aan. “Jij snapt het niet, hè. Jullie generatie had het makkelijk. Een huis kopen, een baan vinden, beetje reizen. Wij zitten straks met een verzopen planeet, bergen schulden en machtsgeile, narcistische politici die alle problemen alleen maar groter maken. Waarom zou ik überhaupt nog studeren of werken?”
“Omdat je anders geen geld hebt voor pizza?” opper ik voorzichtig.
Ze trekt een gezicht. “Heel grappig. Maar serieus, wat is het nut als het toch allemaal naar de knoppen gaat?”
Ik ga naast haar zitten. “Kijk, toen ik jong was, waren we ervan overtuigd dat de ozonlaag verdween, dat we uitgeroeid zouden worden door kernraketten en zure regen ons haar zou oplossen. En opa en oma maakten zich continu zorgen dat er een nieuwe wereldoorlog zou komen.”
“Maar dat is toch precies mijn punt? Het is nu niet anders!” roept ze. “Niets verandert. Alles is nu nog net zo als toen, alleen zijn de grootste issues wat aangepast aan de huidige tijd. Er is nog steeds oorlog. Er wordt nog steeds volop gedreigd met kernraketten. En die nieuwe wereldoorlogsdreiging is ook niet weg. Echt, we blijven steeds weer nieuwe manieren vinden om de boel compleet te verkloten.”
“Klopt,” zeg ik droog. “Maar ondanks alles ben ik er nog, zijn de ozonlaag en die zure regen allang geen thema meer én heb ik zelfs nog haar op mijn hoofd, zij het inmiddels wel wat minder.”
Ze zucht diep. “Jij bent onmogelijk.”
“Kijk,” vervolg ik, “misschien heeft het leven als zodanig inderdaad geen zin. Maar dat betekent ook dat jij er zelf zin aan kunt geven. Als alles zinloos is, kun je net zo goed iets doen waar je blij van wordt.”
“Zoals wat dan?”
“Weet ik veel. Taarten bakken, kattenfilmpjes kijken, een poging doen om de wereld te redden, of gewoon pizza eten met je pa.”
“Dus jouw oplossing voor de zinloosheid van het bestaan is pizza?”
“Pizza is nooit zinloos.”
Ze kan een glimlach niet onderdrukken. “God, jij bent echt cringe, pa. Irritant.”
“Dat hoort bij het vader zijn. Maar serieus: het leven is misschien zinloos, maar het mooie is dat je het nog altijd zelf mag invullen. En juist die zinloosheid laat je daarbij de vrije hand. De rest van de wereld is altijd wel ergens mee bezig wat erin resulteert dat we onszelf vernietigen. Maar dat betekent niet dat jij niet kunt proberen om iets te doen wat in JOUW ogen zinvol is? Gewoon iets waar je gelukkig van wordt?”
Ze denkt even na. “Dus jij zegt eigenlijk dat het feit dat alles zinloos is, juist een reden is om er toch iets van te maken?”
“Precies dat. Want als het allemaal toch nergens toe leidt, dan kun je maar net zo goed iets doen dat je leuk vindt. Of pizza eten. En pizza lost misschien niet álle problemen op,” zeg ik plechtig, “maar extra kaas helpt wel.”
Ze lacht hardop. “En je meent het nog ook!”
“Ja. Alles is beter met kaas,” stel ik met een uitgestreken gezicht. “Zélfs een existentiële crisis.”



