Er valt een stilte als Carl en zijn vrouw Frederike de kroeg betreden. Reden voor mij om een veilig heenkomen te zoeken aan de bar. Waarom? Omdat Carl om de twee woorden “fucking” roept, om redenen die we beter aan de wetenschap kunnen overlaten. Nu begroet hij de stamgasten met een welgemeend: “Ik wens alle klanten en ex-gedetineerden een fucking goede middag.”
Carl en Frederike openden lang geleden met veel bombarie een nieuwe tattooshop. De zaak in ons dorp werd door de Kerk niet veroordeeld, maar wel ontmoedigd middels een toevallige brandstichting. Het pasgetrouwde stel zat daarom lange tijd werkloos thuis. Uit louter verveling begon Frederike te eten. Iedere hap Zaanse mayonaise die haar lippen passeerde, bracht haar huwelijk dichterbij de bijna spreekwoordelijke afgrond – maar dit terzijde.
Naast mij aan de bar zit Evertjan Janneman op zijn vaste stek. Evertjan is een man met een onberispelijk geduld en een gemoed als een zomerse namiddag in de polder. Maar nu klaagt hij over de farmaceutische industrie, die “criminele organisatie” waartoe hij gemakshalve ook artsen en apotheken rekent. Kortom, hij vertelt hoe zijn nieren, die hem ooit trouw hadden gediend, nu dreigden met een staking. De enige manier om ze tevreden te houden? Een dagelijkse pil die volgens hem niet alleen zijn ziekte vertraagde, maar ook de inefficiëntie van de gezondheidszorg op pijnlijke wijze aan het licht bracht.
Drie dagen voor de laatste pil – niet vier, niet twee, maar precies drie, zoals een goed georganiseerde patiënt betaamt – belde hij zijn huisarts voor een herhaalrecept.
“Prima,” zeiden ze daar. “We sturen het door naar de apotheek.”
De volgende dag: niets. De dag daarop: nog minder. Op de derde dag: een leeg medicijndoosje en een onheilspellende stilte in de apotheek.
Evertjan, die inmiddels het vermogen had ontwikkeld om in decibellen te denken, besloot opnieuw de huisarts te bellen. En wel nu! Aan de bar in zijn stamkroeg.
Hij zet zij mobieltje op speaker: “Met Janneman,” opent hij. “Luister, mevrouw de doktersassistente, ik heb al drie keer gebeld voor een herhalingsrecept en drie keer beloofde u mij dat het verstuurd zou worden. Echter, ik heb nog steeds niets ontvangen. Mijn vraag aan u is dus: als u mijn verhaal zo eens aanhoort, wat is dan het eerste woord dat in u opkomt?”
Aan de andere kant van de lijn valt een stilte die zwaarder weegt dan de moraal van dit verhaal. Dan: “Eh… nou…”
Janneman, die niet voor niets zijn leven lang heeft geoefend in het herkennen van bureaucratische kolder, fronst. “Dat is het eerste woord dat bij u opkomt? ‘Eh…’?”
“Nou… ja… nee… eh…”
Een zucht, diep genoeg om een windturbine aan te drijven, ontsnapt uit Evertjans longen. “Weet u welk woord bij míj opkomt, mevrouw?” Even laat hij het suspensevolle moment hangen. “Schándalig. Of misdadig. Kan ook.”
De assistente sputtert iets over ‘systeemproblemen’, een wonderlijke samenloop van digitale kortsluitingen, ‘vergeten door te sturen’, ‘de dokter is op vakantie’ en ‘normaal gesproken gaat dit nooit mis’ – een symfonie van excuses waar geen nier op kan overleven.
Het gesprek eindigt in een 1-0 nederlaag voor Evertjan. Hij weet inmiddels hoe de wind waait.
En zo zit hij daar. Medicijnloos, maar wel met een vurige, hernieuwde waardering voor de ironische grootsheid van de menselijke fout.
Ik opper dat hij beter kan vragen of hij zijn recepten via een postduif kan krijgen. Dat heeft vast een hogere slagingskans.
Ineens slaat de tattooshop-loze Carl zijn armen om de schouders van Evertjan en mij: “Zo, jongens,” zegt hij, wijlen voetbaltrainer Fritz Korbach imiterend, “hoe laat wordt er geneukt hier…?”





‘ Zeg Leo, zet jij Fritz Korvach maar uit de selectie!’
Hier wordt geen smerige, gore, grensoverschrijdende taal gebruikt!’
En Johan Cruijff, wat wil jij nu weer zeggen?
‘ Nou, je moet het wel gedaan hebben om dan op een lineaal te kijken hoelang dat..je weet wel.. geduurd heeft’