
Bron: Photo by hotblack at Morguefile.com
Afgelopen dinsdag is Simone ein-de-lijk achttien geworden. En daarmee officieel volwassen. Althans, volgens de wet. In werkelijkheid is ze hetzelfde meisje dat gisteren nog in tranen was omdat haar favoriete jeans in de was zat, en die twee dagen geleden nog mopperend vroeg of ik haar boterhammen even wilde smeren omdat ze het brood ‘zo koud uit de vriezer’ niet aan kan pakken. Maar goed, volgens haar ID-kaart is ze nu volwassen en wie ben ik om dat te betwisten?
Nick ging haar drie jaar geleden al voor. Die is inmiddels bijna 22 en woont zelfstandig in een studentenhuis. Tenminste, ‘zelfstandig’… Ik krijg nog steeds appjes hoe je een avocado-pit er ook alweer het beste uit krijgt (goh, het jong eet avocado…) en of witte en donkere was écht apart moeten. Maar goed, ook hij is wettelijk volwassen en dat betekent dat ik nu officieel twee volwassen kinderen heb.
Ik voel me daardoor ineens oud. Niet zomaar een beetje oud, nee, echt een stokouwe zak. En dat is niet de eerste keer deze week. Telkens weer word ik met de neus op de feiten gedrukt. Tot nu toe kon ik mezelf nog wijsmaken dat ik best jong van geest was. Dat ik nog behoorlijk mee kon komen met de jeugd. En dat ik vooral héél erg goed was in het ontkennen van mijn leeftijd. Maar die illusie is nu voorbij. Want als je kinderen volwassen zijn worden (en je een multifocale bril op je neus hebt), dan kun je het zelf niet meer ontkennen: je hebt die vermaledijde houdbaarheidsdatum nu toch echt bereikt.
Simone zelf lijkt er totaal niet mee te zitten. Zij viert haar nieuwe status als jongvolwassene door nóg meer uit te gaan en cocktails te drinken waarvan ik zelfs de naam niet kan uitspreken. Nick feliciteert haar op geheel eigen wijze: “Succes, je mag nu officieel je eigen zorgverzekering betalen.”
Als ik Simone vraag of ze zich al volwassen voelt, kijkt ze me met grote ogen aan en zegt: “Nee joh, helemaal niet. Dat volwassen-zijn is toch gewoon een fake dingetje? Het enige verschil is dat ik nu zelf sterke drank kan gaan halen.” Goede prioriteiten heeft ze in ieder geval.
Onderwijl zit ik hier met mijn volwassen kinderen die niet volwassen zijn en besef ineens wat voor absurde levensfase dit eigenlijk is. Zij denken dat het echte leven nu begint, terwijl ik denk: dat echte leven is dus allang begonnen? Heb ik ergens iets gemist? Waar was ik toen dat gebeurde?
Ik denk terug aan het moment dat ze geboren werden. Hoe klein ze waren, hoe kwetsbaar en hulpeloos. Nu zijn ze nog steeds kwetsbaar en hulpeloos, alleen dan met een iets grotere mond en meer behoefte aan (veel) geld. En toch besluipt mij een gevoel van melancholie. Want hoe onvolwassen ze ook mogen zijn, vanaf nu hebben ze mij officieel minder nodig.
Ik zucht diep, pak mijn koffie en probeer de gedachte weg te slikken dat ik over twintig jaar waarschijnlijk als hulpeloze bejaarde mijn volwassen kinderen lastigval met de vraag hoe ik een avocado moet snijden – en vooral hoe ik die verhipte pit eruit krijg.
Simone ziet mijn bedenkelijke blik en zegt met een geruststellende glimlach: “Pap, maak je geen zorgen. We blijven nog héél lang hartstikke onvolwassen. Beloofd.”
Dat stelt me wel enigszins gerust.
Maar nét niet helemaal.


