
Bron: Photo by hotblack at Morguefile.com
Ze is dus écht gegaan. Weg. Ver weg. Naar Zanzibar. Tanzania, of all places. Oftewel, naar de andere kant van de wereld. Met een enorme backpack, een klamboe, een pot DEET en een paar gezondheidssandalen die je alleen vrijwillig draagt als je denkt op een tropisch eiland de wereld te kunnen redden.
Mijn vriendin. Mijn Jonna. Mijn alles. Foetsie.
En ja, ik wist dat ze ging. Ze had het er immers al maanden over (en ik ook). Medisch vrijwilligerswerk.
“Iets concreets terugdoen voor de wereld,” zei ze. “Iets zinvols. Iets met impact.”
En ik? Ik mompelde wat instemmends, terwijl ik me afvroeg hoe je in hemelsnaam impact kunt maken met een EHBO-doos in een land waar de helft van de bevolking malaria heeft en de andere helft denkt dat aspirine een religie is.
Maar goed, daar ging ze. Met het vliegtuig, met tranen in haar ogen en met een opgewekt “Wij blijven wij, hè? We houden contact?” op haar trillende lippen. Ik knikte dapper, fabriceerde een halfslachtige glimlach en voelde hoe mijn hart beetje bij beetje brak. Want zeg nou zelf: hoe moet een man functioneren als zijn toch duidelijk betere helft besluit om hem tijdelijk op te geven ten bate van een edeler en nobeler doel?
Enfin. Ik voel me onthand. Getweeëndeeld. Alsof ik met één sok en zonder koffiezetapparaat door het leven moet. En ja, dat klinkt vast heel melodramatisch, maar het is nu eenmaal mijn realiteit. De dagen zijn stiller, de nachten langer, de keuken een woestenij. En Kees, mijn kat, kijkt me aan met een blik van: “Ik geef jou een week. Maximaal.”
Het gekke is: ik gun het haar. Echt waar. Ik vind het fantastisch dat ze iets goeds wil doen. Dat ze zich ergens op deze aardkloot nuttig kan voelen. Dat ze kiest voor haar eigen avontuur en idealen. Maar ik haat het tegelijkertijd. Ik haat het dat ze mij niet nodig heeft om zichzelf te vinden. Ik haat het om weer alle nachten alleen te slapen. Dat ik weer ontbijt-eitjes helemaal voor mij alleen bak. Dat haar tandenborstel zielig in het glas staat te wachten. Ja, waarop?
Mensen vragen: “Hoe lang blijft ze weg?” En ik zeg dan moedig: “Ik weet het niet precies. Een half jaar? Misschien een jaar?” En zij zeggen dan: “Ach joh, die tijd gaat vast zó voorbij.” Ja tuurlijk. Als je druk bent met je leven. Als je agenda vol staat met spannende zaken. Als je je avonden vult met gezellige etentjes en sociaal gestructureerd Netflixen. Maar niet als je wéér een Verlaten Man bent. Niet als je leven toch al enigszins leeg was. Dan duren drie maanden minstens zo lang als een heel huwelijk zonder seks. En zijn ook net zo frustrerend.
En dus zit ik hier. In mijn eentje. Te veel tijd, te weinig structuur. Ik beland op obscure websites waar je Swahili kunt leren. Ik kijk naar vliegtickets – alsof ik zo’n spontane man ben die impulsief naar Afrika afreist om zijn geliefde te verrassen. Ik ben zelfs begonnen met het herinrichten van de boekenkast. Dat soort werk. De leegte ordenen, bij gebrek aan beter.
Misschien is dat het dan ook wel: de kunst van het verlaten zijn is niet om de leegte vullen, maar om die te leren begrijpen. Of in mijn geval: de leegte cynisch weglachen, terwijl ik mijn avondlasagne in de magnetron schuif en tegen haar sippe tandenborstel zeg: “We komen hier wel doorheen, schat. Jij en ik.”
En dat is waar. Want ik vertrouw er toch maar op dat ze ooit weer terugkomt. Met verhalen. En standvastige liefde. En foto’s. En waarschijnlijk een paar parasieten. Maar tot die tijd ben ik de Verlaten Man. Een beetje zielig, lichtelijk zwelgend in zelfmedelijden en vooral heel, heel alleen.



