
Bron: Photo by hotblack at Morguefile.com
Ik ben doorgaans een vredelievende mens. Echt waar. Vraag het maar aan Kees, mijn kat. Die zal dat – met enige twijfel, wellicht – bevestigen. Maar er is één situatie waarin ik transformeer tot een tierende tiran met een bloeddruk van 220. En dat is wanneer ik op de snelweg op notoire middelste-baan-rijders stuit.
Je kent ze wel: automobilisten die de rechterbaan beschouwen als een verboden zone, een soort Bermuda-driehoek waar auto’s spontaan verdwijnen. Ze rijden angstvallig op de middenbaan, zodat ze altijd mooi naar links en naar rechts kunnen, mocht dat ooit nodig zijn. Maar daardoor moet iedereen er wel in een soort vreemde dans, helemaal van rechts naar links en weer terug, omheen manoeuvreren. Op vier- en vijfbaanswegen (in de Randstad, you know) is het nóg erger; dan rijden ze op de net niet helemaal linkse baan. Terwijl ze eigenlijk op de vlucht-/spitsstrook horen, tussen de vrachtwagens.
In mijn gedachten worden dit soort bestuurders achter het stuur gezet door een of andere duistere instantie, puur om mij op de proef te stellen. Een psychologisch experiment: hoeveel frustratie kan die man aan voordat hij vloekend en tierend de tanden in het eigen stuur zet?
Waarom doen mensen dit? Is het angst? Zijn ze bang dat rechts rijden hun imago schaadt, dat ze misschien worden gezien als zwak, onderdanig, minderwaardig? Denken ze dat de rechterbaan uitsluitend voor vrachtverkeer gemaakt is? Dat ze, eenmaal naar rechts gegaan, nóóit of te nimmer meer naar links kunnen komen? Of dat de rechterbaan een valstrik is die leidt naar zo’n vreselijk parallel universum waar iedereen zich wél aan de verkeersregels houdt?
En het ergste is nog wel dat je die lui niet eens rechts mag inhalen. Doe je dat toch, riskeer je een boete waarvoor je een maand lang boodschappen had kunnen doen. Dat maakt mijn frustratie zo mogelijk nóg groter. Stiekem denk ik wel eens dat het Amerikaanse systeem van ‘keep your lane’, waarbij je gewoon rechts mag inhalen, misschien zo slecht nog niet is. Sterker nog, als ik in zo’n situatie terechtkom, overweeg ik regelmatig om toch maar een keer naar de VS te emigreren, puur om stressvrij rechts langs al die slome slakken te mogen zoeven.
Deze irritante soort wegmens zorgt er met zijn gedrag voor dat hele stukken snelweg inefficiënt benut worden. Ze maken de weg compleet onoverzichtelijk en daardoor onbruikbaar. Ik droom dan ook wel eens dat ik een megafoon op mijn autodak heb en uit volle borst tegen zo’n middenbaan-fucker blaat: “Beste bestuurder van die blauwe Twingo, rechts is vrij. Ik herhaal: RECHTS. IS. VRIJ. U mag gerust weer ademhalen en van baan wisselen. Oftewel: OP. ROT. TEN! Of rijbewijs inleveren. Mag ook.”
En nee, deze mensen zijn niet ‘gewoon maar’ middelste-baan-rijders. Zij staan symbool voor een maatschappij waarin iedereen denkt dat hij/zij recht heeft op een eigen strook asfalt en waarin niemand nog rekening houdt met anderen. Het zijn die mensen die midden in de toch al krappe buurtsupermarkt hun volle winkelwagentje dwars in de gang parkeren om vervolgens uitgebreid te gaan staan te bellen met hun tante Annie, terwijl niemand er meer langs kan. Die mensen die op een roltrap doodstil breeduit in het midden blijven staan, zodat passeren godsonmogelijk is en jij de trein mist.
In ieder geval zijn het stuk voor stuk rijdende metaforen voor egocentrisme en onverschilligheid. Voor gedrag dat schreeuwt: “Dit is míjn baan. Wat zeik je nou, man, je kunt er toch langs?”
Ach, jawel, maar doe me een plezier? Volgende keer dat je iemand in je spiegel ziet seinen, zwaaien en briesen achter het stuur, denk dan aan mij en schuif gewoon effe op naar rechts? Mijn hart en mijn bloeddruk zullen je eeuwig dankbaar zijn.





