
Bron: Photo by hotblack at Morguefile.com
De tv staat zachtjes aan. Daar zie ik hem (ja, wie niet…). Donald Trump. Met een joviale handdruk begroet hij, wat hij noemt, “mooie leiders”. Beautiful leaders. En hun beautiful countries. Waarvoor ze zoveel beautiful things doen. Ik voel een dikke boer opkomen, terwijl zijn woorden nog nagalmen in mijn – toch best wel bescheiden – woonkamer, waar mijn versleten luie stoel mij droevig toefluistert dat hij toch echt betere tijden heeft gekend.
Ik schenk mezelf nog een biertje van de Aldi in, laat de boer vrijuit gaan en denk aan die leiders daar, op die NAVO-top. Hoe mooi zouden ze werkelijk zijn? Natuurlijk, strak in het pak, kapsels zo zorgvuldig gekamd alsof elke haar een strategische positie heeft ingenomen. Maar hun schoonheid lijkt vooral te bestaan uit het talent om onvermogen te verbergen.
Terwijl ik het bierschuim van mijn lippen lik, verschijnt voor mijn geestesoog het beeld van de gewone man. Die ene die morgenochtend weer in de file staat. Die dan zijn naar behoren ongeschoren gezicht in de spiegel van zijn auto checkt; halfbakken baardjes zijn immers nog steeds de bom. Die totaal geen zin heeft om morgen weer naar zijn werk te moeten rijden; thuiswerken, zoals nu, tijdens de NATO-top, is zo onnoemelijk veel aangenamer.
Hij is, samen met al die andere gewone mensen, degene die betaalt voor alle pracht en praal. En zelfs voor die horde escort-dames die discreet door de achterdeuren naar binnen glippen. Ach, leiders hebben ook hun pleziertjes nodig, anders raken ze overspannen van al dat gewichtige gedoe over dingen waar wij weinig van horen te begrijpen, maar waar we uiteindelijk toch met z’n allen voor opdraaien.
Enfin. Trump glimlacht op tv alsof hij zojuist het diner van zijn leven heeft verorberd. Misschien is dat ook zo; heeft hij heimelijk die kleffe kalfsoester toch nog weten te verwisselen voor een fatsoenlijke bucket met KFC chicken wings. Je vraagt je soms af of die staatsdiners, vol gestoomde kreeft en nodeloos ingewikkelde desserts, in werkelijkheid net zo smakeloos zijn als de besluiten die ze met z’n allen ook nog even moeten nemen.
In onze keukens dampen de aardappelen. Met jus en een gehaktbal. En boontjes. Als je mazzel hebt en ze enigszins betaalbaar zijn. De gewone mens kookt nu eenmaal met eenvoud, zonder poespas. En zonder de noodzaak van voorafgaande handdrukken en diplomatieke lachjes.
En toch voel ik geen echte wrok. Eerder een soort melancholie. Hoe vreemd eigenlijk, denk ik bij mezelf, dat wij aan deze kant van het scherm met onze afgetrapte pantoffels aan de voeten zitten te kijken naar mannen en vrouwen die beslist níét mooier zijn dan wij, maar die tóch zo genoemd worden. Het zou kunnen liggen aan het licht in die grote zalen, speciaal ontworpen om overmatige macht net iets aantrekkelijker te laten lijken?
“Beautiful leaders,” mompel ik zachtjes en schakel de tv uit. Buiten is het stil. Alsof iedereen zich heeft neergelegd bij het feit dat de schoonheid van de één altijd een prijs heeft die door de ander wordt betaald. En wij? Wij hoeven alleen maar af te wachten. Tot de rekening van al die machtsgekte op onze deurmat valt.


