
Bron: Photo by hotblack at Morguefile.com
Ik zit op een klapstoeltje voor een van een vriend geleende camper, ergens in de buurt van Lichtenvoorde. De kinderen zijn op pad met hun eigen leven en mijn z.g.a.-ex Jonna zit op Zanzibar de wereld te redden, dus ik dacht: dan red ik mezelf wel even. In ieder geval een paar dagen lang. Op een natuurcamping. Alleen. Back to basics – maar dan met een koelkastje en een elektrische bbq.
Op de website zag de camping er uitermate cosy uit. In het echt is het toch wat anders dan verwacht. Maar: het is hier groen. Heel groen. Naast me staat een yurt. Geen tent, geen caravan, maar een yurt. Een houten IKEA-cirkel met een dakraam en een theemuts als architectonisch concept. Daar wonen zes mensen in. Tenminste, ik tel zes paar sandalen, iets op zonne-energie en een krijsend kind met de naam “Wolfje”.
Links van me hangt een vrouw in een hangmat. Al sinds gisteren. Ze heeft dreadlocks, een macramé-bh en leest een boek met de titel ’Leven met de Maan’. Ze drinkt iets (ik vermoed brandnetelthee) uit een tinnen mok en praat met de planten om haar heen. Soms lijkt ze ook tegen mij te praten, maar dan hoop ik steeds maar hevig dat ze het tegen de klimop in de boom achter me heeft. Of tegen de camper, die een schril contrast vormt met de ‘natuurtenten’ om mij heen. Zou ik hier eigenlijk wel mogen staan?
Het toiletgebouw is een halve kilometer lopen, maar aan de rand van ‘ons’ veld is een composttoilet. Dat is een soort houten doodskist waar je op mag kakken. Eromheen hangen informatiebordjes over ‘de kringloop van voeding’ met vrolijke tekeningen van drollen, wortels en zonnetjes. Het is dat ik al jaren geen schaamte meer voel, anders zou ik nu huilen. Gelukkig zit er een Porta Potti in de camper. Maar ja, die moet ik straks ook een keer ergens leeggooien…
Iedere ochtend is er een ‘stiltewandeling bij zonsopkomst’. Je mag mee, maar je mag niks zeggen. Dat lukt me inmiddels aardig. Ik loop sowieso al de hele vakantie met mijn mond dicht, behalve als ik vloek. Bijvoorbeeld als mijn onhandige ikje zich weer eens brandt aan de bbq.
’s Avonds zitten mensen bij het kampvuur en praten ze over energetisch ademhalen, bewust ouwehoeren en retraites met cacao. Ik kan de gesprekken prima volgen. Akoestisch dan, inhoudelijk niet. Iemand heeft een didgeridoo meegenomen. Ik kan geen instrument bedenken dat beter past bij mijn groeiende behoefte om gillend de stikdonkere nacht in te rennen.
Toch blijf ik nog even. Want het is hier rustig. Niemand wil iets van me. En als ik mijn klapstoeltje goed richt, zie ik alleen bomen en geen mensen. Dat is een verademing. En heel soms, als de wind goed staat, ruikt het hier bijna naar vrijheid.


