In het immer mooie Brabant zit ik bij een Grieks restaurant. Naast mij zijn twee dames van middelbare leeftijd intens een flinke lamsbout naar binnen aan het werken. Uit interesse check ik het gerecht op de kaart en constateer dat dit het duurste bord eten van het restaurant is.
Ik wens de dames een smakelijke voortzetting en bestel zelf iets dat een stuk goedkoper is.
De dames blijven een uur lang mooie glazen wijn bestellen en eindigen met een plank vol zoete toetjes. Daarna tafelen ze nog wat na, onder het genot van een koffie met een likeurtje. Ze zijn heerlijk aan het genieten.
We zijn ongeveer tegelijkertijd klaar en ik sta bij de bar achter een van de vrouwen te wachten op de rekening. Maar zodra de vrouw de factuur ontvangt, gaat ze los.
“We betalen niet,” begint ze; “want afgelopen november zijn we hier ook geweest en toen zijn we heel erg ziek geworden van de gamba’s. Dus dit etentje zie ik als een compensatie voor ons leed.“
De jonge man achter de toonbank is even van zijn stuk gebracht. “Wat vervelend om te horen, mevrouw. Heeft u de mail bij u?”
“Welke mail?” vraag de vrouw. “De mail waar onze manager u de compensatie aanbiedt.”
“Nee. U denkt toch zeker niet dat ik een gesprek ben aangegaan?”
Dan is de jongeman nogmaals van zijn stuk gebracht.
“U wilt zeggen dat u ongeveer 9 maanden geleden bij ons gegeten heeft, dat u daar ziek van bent geworden, maar dat u dat destijds niet heeft gemeld?”
“Precies. Dus we betalen niet,” kaatst de vrouw stellig terug.
“Maar mevrouw, hoe vervelend ik dat ook voor u vind, ik kan u toch niet compenseren voor iets waar we verder geen weet van hebben, én wat al 9 maanden geleden gebeurd zou zijn? U heeft voor 200 euro gegeten en gedronken. Was dan in ieder geval dit gesprek vóór uw diner aangegaan.”
Nu wordt de vrouw boos. Ze begint dreigende taal uit te kramen en priemt haar vinger zowat in het oog van de werknemer. De dialoog wordt een monoloog waarin de vrouw meldt dat ze zoveel mogelijk slechte reviews zal plaatsen, dat ze al haar vrienden en kennissen zal inlichten en dat het haar niets zou verbazen als er binnenkort wat ruiten sneuvelen als ze moet betalen.
De jongeman blijft rustig, iets wat ik bewonder.
Maar ik wil weg en heb niet het idee dat deze vrouw snel tevreden zal zijn. Daarom bemoei ik mij met het gesprek. “Mag ik vragen of de eigenaar aanwezig is?” zeg ik met zeer onschuldige ogen.
“Nee meneer, hij is op vakantie,” is het antwoord.
“Dan komen jullie er nu niet uit. Jij mag denk ik niet beslissen of er een compensatie gehonoreerd wordt, of wel?” De man knikt bevestigend. “Is het dan een idee dat mevrouw voor nu gewoon afrekent, en dat haar gegevens naar je manager verstuurd worden zodat hij met mevrouw contact kan opnemen?”
Dat vinden beide partijen een goed plan, hoewel mevrouw onder luid protest haar factuur betaalt.
Als ze met haar vriendin woest wegbeent, hoor ik haar nog fluisteren: “De volgende keer moeten we ons verhaal aanpassen.”
“Ga je die gegevens nog doorsturen?” vraag ik aan de man. “Nee natuurlijk niet. Stelletje oplichters,” gromt hij. “Jij krijgt fooi,” zeg ik en tevreden reken ik af.







