Er is geen hoop, nooit, nergens,
Een grauwsluier van verkoolde resten
Smeult nog na op ’t slagveld van ’t mensdom;
Mensdom, met de nadruk op ‘dom’,
Was het niet Knopfler, Mark, die zong:
Wij zijn ezels om oorlog te voeren met onze broeders in oorlog?
Oogcontact is onmogelijk geworden,
Men loopt, gezicht vastgeplakt aan een schermpje,
In zeven en meer sloten tegelijk;
In plaats van boeken, platen
Neemt men berichtjes tot zich,
Max dertien woorden, juist nog behapbaar;
Solidariteit is verworden tot een obligaat R.I.P.-berichtje
Gepost op een openbaar platvorm
Na de zoveelste zinloze slachtpartij;
De ironie is overleden,
De wolven aan de zijlijn staan paraat
Uw relativering tot in ’t absurde te misinterpreteren;
De raaf heeft voorgoed postgevat
Op de timpaan van het bestaan,
Kijkt uit over zijn dodenrijk;
Steden zijn verworden tot gentifricatieinferno’s
Waar woonhuizen van jou en mij
Nog slechts speculatieobjecten zijn;
Er is geen hoop, nooit, nergens,
Spoedig zal sneeuw en ijs verleden zijn
Alsook de ijsberen en dier habitat;
Geen woord biedt nog zalving,
Geen biecht uitkomst,
Geen bede verlossing;
De hoop is opgeslorpt,
Een uitweg verzwonden,
Hoofd terneergeslagen.
Eerste deel van het yin-yang-duogedicht ‘Geen hoop / hoop’. Het tweede deel ‘Hoop’ volgt volgende week.





