
Bron: Photo by hotblack at Morguefile.com
Er zijn dagen dat ik opsta en denk: vandaag is een mooie dag om ermee te kappen. Klaar. Af. Geen pathetische wanhoopsdaad, maar gewoon alles laten vallen, ramen dicht, gas open. Stoppen. Met zoeken naar bij elkaar passende sokken. Met steeds weer de vuilnis naar buiten te brengen, terwijl niemand ooit nog naar binnen komt. Met het moedige streven naar een opgeruimd en doorlucht leven. Stoppen met proberen.
Niet dat iemand dat ook maar zou merken. Simone, officieel nog ‘thuiswonend’, is meestal weg, doorgaans in de armen van het jong dat zich op dat moment haar vriendje noemt. Hij, die haar nog wél laat lachen. Nick is allang uitgevlogen richting studentenhuis en existentialistische podcasts. Ik blijf achter, gezellig tussen de stofmuizen. Schijnbaar hebben die zich inmiddels weten te organiseren. Zij wel. Ik zie ze vergaderen onder de salontafel. Het lijkt democratisch, maar ik vrees dat er een leider is opgestaan. Een soort pluizige Poetin, die voornemens is mijn tv-hoek in te nemen alsof het de Donbas is.
Ik doe alsof ik het niet zie en schuifel naar de keuken. Er ligt een aangekoekte pan in de gootsteen die allang niet meer vraagt om afgewassen te worden; enkel nog maar om euthanasie. Op het aanrecht een natte vaatdoek. Die ligt daar al minstens een week en ruikt naar zure mislukking. Hij is niet de enige.
De was stapelt zich op als schulden bij een gokverslaafde. Ergens in de badkamer probeert een spin zich op te hangen aan een verdwaald haarelastiekje. Zelfmoordgedachten zijn blijkbaar besmettelijk.
De vloer kleeft op onnavolgbare plekken. Geen idee of het cola is of restmateriaal van een uitgelopen kattenbrok uit 2019. Ergens ligt een platte rozijn die daar vermoedelijk al sinds de basisschooltijd van Simone bivakkeert. Ik laat hem maar liggen. Als aandenken. Of als waarschuwing. Wie zal het zeggen.
Zo nu en dan probeer ik me er toch weer toe te zetten. Emmer water. Sopje. Microvezeldoekje. Zo’n geel ding dat altijd al vochtig is, zelfs als hij ‘droog’ uit de verpakking komt. Maar het lukt niet. Het lichaam is – theoretisch – weliswaar nog in staat iets te doen, maar de geest weigert. De vloer staart me verwijtend aan. Het toilet durf ik niet eens meer te betreden. Daar woont iets. Iets dat wraakgevoelens koestert.
Ik overweeg te stofzuigen. De slang kijkt me aan met de droefheid van een uitgemolken koe. Ik zet een muziekje op. Leonard Cohen. Want als je dan toch in de put zit, kun je maar beter nog dieper graven. Het universum geeft me een teken; de stofzuiger zuigt niet. Hij jankt. Net als ik.
’s Avonds eet ik koud gehakt uit de pan, staand, terwijl ik naar de vuilnisbak kijk. Daarboven zweeft een eenzaam fruitvliegje. Hij lijkt verbaasd dat ik er nog ben.
En dan komt het besef. Niet ineens. Maar langzaam, als een verstopte afvoer die toch ineens weer begint te borrelen. Ik hóéf dit niet meer alleen te doen. Niemand heeft gezegd dat ik dit moet kunnen. Ik mag falen. Ik mag loslaten. Het is geen test. Het is slechts een marteling. En ik heb al genoeg beproevingen doorstaan: relaties, kinderen, IKEA.
Wat ik nodig heb, is geen levenscoach. Geen mindfulness-predikant. Geen partner met interesse in zuiverende etherische oliën.
Wat ik nodig heb, is een poetsvrouw! Eigenlijk een poetsmens, maar ik prefereer een vrouw. Ik heb de stereotyperende indruk dat die beter kunnen poetsen.
Het woord alleen al klinkt als verlossing. Als iets warms, zachts, met rubber handschoenen en geurige middelen waar je van gaat hallucineren.
Hulp die nergens van terugschrikt. Niet van overjarige pizzadozen. Niet van een gootsteenzeefje vol existentiële wanhoop. Niet van een man die het opgegeven heeft en enkel nog bereid is om een wekelijkse betaling te verrichten. Een poetsvrouw die binnenkomt met ferme tred en niet vraagt waarom er een bak koffie van vorig jaar onder de bank staat.
Ze heet iets van Malenka. Of was het toch Malinda? Ik weet het niet meer. Maar ik heb haar contactgegevens. Aanbeveling van mijn grote vriend Igor. Volgens hem spreekt ze in korte, gebroken zinnen. Geen vragen, geen oordeel. Enkel schoonmaakazijn, doeken en daadkracht. Ze kan alleen op dinsdagochtenden. Dan komt ze hopelijk met een emmer vol verlossing.
Ik ga haar bellen. Of mailen. Wat sneller lukt.
Maar nu eerst even zitten en mentaal voorbereiden.
Want zelfs dat is voor mij al een hele prestatie.


