Ik had ’n date met de op zeven na mooiste vrouw van de stad. (De op zes na mooiste bij ’t juiste maanlicht.)
Op zekere nacht stuitte ik op haar gelaat in een van de weinige kroegen van de stad wier speakers nog weleens wat alternatievere rock uitspuwen. De jaren 90, toen we vijf, zes nachten per week in de stad te vinden waren om te dansen op jaren-60-punk-avant-la-lettre (The Stooges & co) of jaren-90-grunge (Pearl Jam & co), lagen ver achter ons, maar goddank werd in een enkel café de herinnering nog enigszins levend gehouden. Niks mis met 80s avondjes, maar soms wil je knetterende gitaren horen.
Ze viel me op, zij en haar entourage (een kleine, sympathiek ogende blondine met guitige lichtjes in haar ogen, lichtjes die ik niet in staat achtte te bruuskeren, en dier al even sympathieke vriend). Ik kon me niet herinneren dat ik haar ooit eerder in ’t café had gezien, zo’n gracieuze, rijzige dame ‒ ze mat minstens één meter tachtig ‒ zou me zeker zijn opgevallen. We raakten aan de praat, waarbij ik het initiatief nam: een zeldzaamheid, slechts bij hoge uitzondering noopt de nacht mij een dame aan te spreken, omdat ik wil weten wat er zich allemaal in haar bolletje c.q. hartje afspeelt. Deze dame, de op zes na mooiste vrouw van de stad, had het meest sexy bovengebit dat ik ooit had gezien: een forse rij in ferm tandvlees ingebedde tanden. Zelden val ik op tandvlees, meestal op benen, bipsen, decolletés, haren of ogen. Haar ogen waren serene bruine knikkers die de nacht het zachte licht schonken, dat hij verdiende. Haar muzieksmaak viel mij honderd procent mee: geen ABBA of Nederlandstalige feestmuzak maar de betere bands: bands wier platen de decennia weten te overleven. Het beviel me dat ze niet gespeend bleek van gevoel voor humor, de paar verbale gebbetjes die ik lanceerde stuitten niet op botte afwijzing maar op een milde glimlach: Ik was ‘geslaagd’ voor de eerste test.
Wonder boven wonder ‒ soms zijn waarachtig de wond’ren de wereld nog niet uit ‒ vond ze het een goed idee dat we ’n keer op date zouden gaan: Zij, de degelijke meid met de degelijke job ‒ ze deed iets educatiefs ‒ en ik, ’n kerel die zichzelf ‘schrijver’ noemt omdat ie het idee heeft dat ie in het geschreven woord het wezenlijke kwijt kan, waarvoor in ’t dagelijkse leven nauwelijks nog plaats is. Ik liet de locatiekeuze aan haar, ik vind dat je als heer een dame dienaangaande de keuze moet laten. De keuze voor een plek waar zij zich helemaal senang voelt. Het werd een van de bruinste cafés van de stad: Tapperij De Baardige Beiaardier.
Aldus geschiedde, in mijn mooiste hemd verscheen ik die avond in de betreffende restauratie voor mijn date met de op vijf na mooiste vrouw van de stad. Gelukkig had ik mijn ironie niet thuisgelaten, in de binnenzak van mijn jasje zat een papieren zakje met tien gram van ’t spul: wie weet zou het van pas komen. Op het moment dat ik wilde gaan zitten zag ik vanuit mijn ooghoek dat zij juist het eeuwenoude pand betrad, waarop ik op haar toe liep en haar de drie obligate begroetingskussen schonk: één landde op haar rechterwang, de andere twee in de lucht. Ze rook naar de Betuwe tijdens de oogsttijd: een aangename geur. Nadat we hadden plaatsgenomen en onze bestelling hadden gedaan ‒ twee muntthee ‒ bekroop mij algauw de angst dat ik dicht zou klappen. Ik ben sinds jaar en dag een specialist in ’t denken (ik denk me doorgaans helemaal suf), ’t voelen (ik voel wat af op een dag), ’t schrijven (gemiddeld op zijn minst één hoofdstuk per week) en ’t dansen (hoofdzakelijk rock meets funk), maar praten was nooit mijn specialiteit geweest. Zéker niet over kalfjes, geitjes, biggetjes en koetjes. Mijn angst bleek ongegrond, het gesprek vlotte alsof ik haar al zéker drie weken kende ‒ en het waren er pas twéé! Ik heb geen flauw idee meer waarover we het allemaal hadden, maar ik kan me geen pijnlijke stiltes herinneren, dus het zal wel snor hebben gezeten.
Ze zag er patent uit in haar blauw-witte topje: vrouwelijk, tevens meisjesachtig. Halflang, bruin haar omlijstte haar open gezicht. Een kettinkje met daaraan een zilveren hartje bungelde om de hals van de op vier na mooiste vrouw van de stad. Twee ringen om haar ranke vingers, die ik nog niet waagde aan te raken, daarvoor was het nog te vroeg. Vooreerst geschiedde die aanraking op zielsniveau: Zij verhaalde over een groot verlies in haar leven, ik over de puinhopen van mijn non-existente liefdesleven. Wij, twee vijftigers, hadden blijkbaar beiden een leemte die opgevuld wenste te worden. Nog steeds had ik geen idee of zij me oprecht mocht of dat ze een goede tijd acteerde om later op de avond de bevrijdende kuierlatten te kunnen nemen.
Nadat we zo een half uur, drie kwartier voor de vuist weg hadden zitten kouten, omgeven door replica’s van stadsgezichten van enkele eeuwen terug, begon het vanuit het niets te draaien voor mijn ogen. Ik wist niet wat mij overkwam, ik had geen recente geschiedenis met duizeligheid. Wat er daarna gebeurde heb ik alleen van horen zeggen: háár zeggen, om precies te zijn. Ik was klaarblijkelijk van mijn houtje gegaan. Toen ik bijkwam keek ik in ’t geschrokken gezicht van de op drie na mooiste vrouw van de stad. Op het moment dat ze merkte dat ik weer goed en wel boven Jan was, zag ik dat opluchting zich meester maakte van haar gelaatstrekken. En ik voelde me een ezel die een potentieel perfecte avond had vergald. Wat was mij overkomen? Te weinig gegeten? Ik had nochtans die ochtend een vol schaaltje yoghurt met muesli naar binnen gelepeld en ’s middags nog ’n walnoot-geitenkaassalade weggewerkt. De spanning van ’t daten? Mogelijk, al had ik de ganse avond het idee gehad dat ik mezelf in de greep had. Vol gêne dronk ik mijn sinaasappelsap, die zij voor mijn neus had geplant: Volgens haar kon ik wat vitamientjes wel gebruiken. Ik schouwde in de mooie, bruine ogen van de op twee na mooiste vrouw van de stad, nam daar een landschap waar waarin het goed struinen was. Toch had het voorval een streep door de rekening gehaald. Beiden realiseerden we dat het bij één avond zou blijven. Iets wat mij enigszins speet, al kende ik haar dan nog zo kort. Ach ja, er liepen méér charmante dames rond op de aardkloot…
De date kabbelde nog ’n half uurtje voort, toen keek zij op haar mobiel, vertelde mij dat ze dringend weg moest en verhief zich. Het afscheid van de op één na mooiste vrouw van de stad was hartelijk maar kort. Ik keek haar een laatste maal in de ogen, zei ‘bedankt voor de gezellige avond’ en maakte rechtsomkeert. In haar blik las ik een mengelmoes van spijt en opluchting. Op weg naar de fietsenstalling omsloot het herfstlover waarmee de stad zich reeds tooide mijn gemoed. Alsof het zeggen wilde: het is goed zo. En dat was ’t: goed zo. Wel nam ik me voor in het vervolg wat steviger te ontbijten: eerst twee volkorenboterhammen met (pinda)kaas of jam alvorens aan mijn schaaltje yoghurt met muesli te beginnen. En ’s middags iets stevigers dan ’n maaltijdsalade. Je kunt maar beter ’t zekere voor ’t onzekere nemen. Zo’n date-echec kon ik mij geen tweede keer veroorloven.
Terug thuis liep ik naar de keuken en schonk mezelf een glaasje kokoswater in, terwijl ik de avond nog eens de revue liet passeren. Nog steeds kon ik er de vinger niet achter krijgen: mijn plotse black-out. Misschien, zo mijmerde ik, waren sommige mensen simpelweg niet geschikt voor ’t date-gebeuren: te veel gevoel, borrelend vanbinnen, geen talent voor ’t ‘koetjes-en-kalfjes-concept’, dat een groot deel van ’t sociale verkeer uitmaakt, de creatieve beschouwers, ’t beste op hun plaats aan de zijlijn van ’t echte leven ‒ al was het de vraag of mijn black-out daar iets mee te maken had, misschien was het inderdaad iets puur fysieks geweest.
Ik besloot het voorval te laten rusten alsof het nooit had plaatsgehad, liep naar mijn stereo en zette een cd op. Terwijl ik plaatsnam op mijn sofa vulden de klanken van een charismatische, kameleontische Brit, die alweer een kleine tien jaar niet meer onder ons is, mijn huiskamer:




