“Pap, ben je thuis? Ik moet even wat met je bespreken.”
Zodra mijn zoon dat zegt, weet ik: er komt een probleem.
En geen probleem van het soort ‘mijn fiets is gejat’ of ‘ik heb m’n ov-chipkaart in de magnetron gelegd’, nee. Meestal iets met zijn lijf. Iets wat je als vader van een volwassen zoon liever níet wilt weten. Wratten op onwenselijke plekken. Vage pijnen. Dingen die je zelf nog niet eens hebt, maar waarvan je zeker weet dat ze gaan komen als je nog even een paar jaartjes doorademt.
Maar deze keer is het anders.
Geen medische horror. Geen soa-paniek.
Een vrouwenprobleem. Driedubbelop zelfs.
Hij staat, met z’n jas nog aan, in de keuken. Versleten rugtas op de grond.
“Weet je,” begint hij en aarzelt dan. “Oh god, dit gaat weer een raar gesprek worden. Nou ja. Ehm… Er is een universiteitsfeest volgende week, en ik ben… eh… nogal gewild.”
Aha. Zit ik daar als oude man tegenover een jongen die meer dates heeft dan ik pijnstillers in huis heb. En dat, terwijl ik hem als eeuwige single nerd had ingeschat. Een beetje zoals ik, zeg maar.
Ik schenk een kop koffie in en we gaan aan de keukentafel zitten. Nick ratelt verder. De eerste dame: een oud vlammetje, waar hij kortstondig stapelverliefd op was, maar toen had zij nog een vriend. En daar wilde mijn moreel hoogstaande zoon – trots momentje – niets mee. Maar nu is het uit. Met die vriend. En nu stuurt ze dus ineens weer appjes. Of ze samen naar het feest gaan. En vooraf misschien nog iets eten? Nick zei natuurlijk ja. Alleen bleef het vervolgens vier dagen stil aan haar kant. En dat had ze dus niet moeten doen. Want in die vier dagen… kwam meisje twee op de proppen.
Meisje twee is er eentje die Nick snapt, klaarblijkelijk. Hij kent haar al langer, maar de vonk sprong nu over. “Ik kan echt goed met haar praten, pa,” zegt hij. Blijkbaar voelt hij zich veilig bij haar en laat zij zich niet afschrikken door een knul met licht autistische trekjes. En dat wil wat zeggen. Want voor een nerd als Nick, die eeuwig en altijd rationeel over alles wil discussiëren, moet je als pratende vrouw van goeden huize komen. Ze luistert, zegt hij. En ze denkt na. Kan ook niet anders, want dan zou ze het niet uithouden met mijn allesbeterweter.
Ik vraag om foto’s. Want ik ben zijn vader, hè. Geen monnik. Hij laat meisje één en twee zien. Mijn keus: meisje twee. Veel liever. Sympathieker. En, laten we eerlijk zijn: gewoon knapper.
Er blijkt ook nog een meisje drie te zijn. Die wil óók met hem naar het feest, maar daarover is hij kort: “Die vindt mij leuk, maar ik haar niet zo heel erg.”
Prima. Case closed.
Dus blijft de vraag: met wie gaat hij nu naar de party?
“Voor wie voel je meer?” vraag ik maar; wat anders is immers belangrijk?
Hij denkt even na. “Meisje twee, denk ik. Meisje één komt pas aankakken als het uit is met een ander. Dat is verdacht, toch?”
Verdacht? Zeg maar gerust: schoolvoorbeeld uit het Grote Boek der Meisjestrucs. Hoofdstuk 6, paragraaf ‘Back-upmannen: de kunst van het warmhouden’.
Uiteindelijk kiest hij dus voor meisje twee.
Niet omdat ik het zeg. Niet omdat ze mooier is.
Maar omdat hij er blijer van wordt.
Wat een verademing, zo’n zoon met een gezond gevoel voor zelfbescherming.
Een appje aan meisje één: Sorry, ik ga toch met iemand anders, die heb ik de afgelopen dagen leren kennen. Kan ik maar beter eerlijk zeggen, toch? We zien elkaar!
Meteen krijgt hij een boze emoji terug. En een vuur-emoji erachteraan. Niet dat ik dat hoef te begrijpen, maar dit keer duurde het dus geen vier dagen. Soms moet je gewoon kiezen voor wie er wél op tijd reageert.
Ik geef hem een schouderklopje, schenk mezelf een borrel in en doe een schietgebedje voor meisje drie. Want ergens zit zij nu in een kamer, jurkje klaar, playlist gemaakt, te wachten op een appje dat nooit meer komt. Ach, die vermaledijde liefde.


