
Bron: Pixabay.com
Net na mijn welverdiende vakantie trapte ik door het donker op mijn nieuwe fiets richting mijn werk. Het was koud, maar de schijnwerper voorop het stalen ros maakte mij intens zichtbaar.
Ik tufte over een voorrangsweg. Vanuit mijn ooghoek naderde een klein sportautootje met hoge snelheid de t-splitsing.
Aangezien ik voorrang had én goed zichtbaar was, reed ik stug door. De dure auto ook. Die moest vol in de ankers om mij niet te scheppen.
Chagrijnig keek ik hem aan, maar ik besloot om niet boos te reageren. De koekenbakker dacht er echter anders over. Hij liet zijn raampje zakken.
“Je moet leren anticiperen!” schreeuwde de woeste man de ochtend in.
“Nou meneer, ik denk dat jij je gewoon aan de verkeersregels moet houden. Dus niet zestig rijden waar je dertig mag en voorrang verlenen als je dat zelf niet hebt,” antwoordde ik resoluut.
“Kom vechten dan, vuile hond!” kreeg ik terug.
“Ik wil best gegevens uitwisselen hoor. Dat vind ik prima. Dan noteer ik effe je kenteken, ga ik de camerabeelden van alle deurbellen opvragen en mag de politie beslissen wie van ons gelijk heeft. Maar vechten, daar begin ik niet aan.”
Assertief, vond ik, en gaf mezelf een denkbeeldig schouderklopje.
“Leer rijden, vuile lul!” wierp de man mij toe.
“Dat klopt, ik ben een lul. Maar wél een lul met voorrang.” Ik moest gniffelen om mijn eigen mopje.
De man besefte dat hij bot ving. Hij sloot zijn raampje en scheurde om indruk te maken met piepende banden richting de grote weg.
Terwijl hij woest de hoofdweg op wilde sturen, knalde hij tegen een stilstaand paaltje. Zowel zijn bumper als zijn rechter lamp vlogen in duizenden stukjes rondom de paal.
De man stapte gedesillusioneerd uit zijn sportmonster en staarde met de handen op zijn wangen beduusd naar de schade.
Tergend traag trapte ik op mijn goed verlichte ros voorbij.
“De paal had voorrang hoor meneer,” lachte ik hem toe. En een half uur later kwam ik vrolijk fluitend op mijn werk aan.
Ik hartje karma.






